maandag 23 juni 2014

9 Roermond - Venlo

Het cafe bij het station van Roermond adverteert aardbeien met slagroom voor € 2,75. De marginale kosten liggen hier blijkbaar nog lager dan in Sittard. Misschien omdat ze dichter bij de telers zitten. In Midden Limburg, waar we vandaag, deels over Duitse bodem, langs wandelen, worden veel vollegrondsgroenten geteeld. Dat komt door het erfrecht, dat voor versnippering van het grondbezit heeft gezorgd.

Het Midden-Limburgse landschap is afwisselend met een licht golvende bodem en een onregelmatige verkaveling. Vanuit de bossen aan de Prinsendijk kijken we erop neer. De wegen zijn er bochtig en overal liggen restjes bos en stukjes woeste grond. Tot ver in de 19e eeuw leefden boerengezinnen vooral van de eigen opbrengsten, zelfvoorzieningslandbouw (subsistence farming) heet dat in het moderne jargon. Wat over was werd verkocht op nabije markten, zo lazen we bij het ontbijt al in het Pieterpadgidsje. Een mooi landschap voor ons wandelaars, maar ooit was het voor de bewoners kommer en kwel.

In zo'n economie ging weinig geld om en waren de gezinnen groot. Alle arbeid hielp en trok niet weg. Bij vererving konden kinderen niet worden uitgekocht en kregen allemaal een gelijk deel van de grond, waardoor een enorme versnippering ontstond. Veel percelen kennen meerdere eigenaren. Net als in Japan was hier dus sprake van relatief dure grond en goedkope arbeid. De bedrijven specialiseerden zich dan ook in vollegrondsgroenteteelt en later ook in de intensieve veehouderij. Activiteiten met veel handwerk op kleine oppervlaktes. Weinig mechanisatie. Veel van de producten werden en worden nog steeds aan Duitse winkeliers en handelaren geleverd.

Dure grond dwingt ondernemers dus tot een intensief gebruik, met soms bijbehorende milieuproblemen. Voor individuele boeren maakt grond onderdeel uit van de kostprijs. Het gebruik van dure grond in laagwaardige producten is dus niet zo slim. Om die reden heeft biologische landbouw het in Nederland niet makkelijk gehad: je produceert dan minder kilo's en als je niet uitkijkt ook minder euros per ha en dan hou je de concurrentie op de grondmarkt niet vol. Biologische landbouw is bovenin de bergen van Oostenrijk of op de graanvlaktes van Polen dan ook economisch beter op zijn plaats dan in Midden-Limburg. Dat is overigens geen typisch agrarisch verschijnsel: je moet midden in Roermond of Rotterdam ook geen autogarage beginnen: dat kost teveel dure ruimte.

Maar op regionaal niveau mag je niet roepen dat de landbouw verdwijnt omdat de grondprijs te hoog is. De grondwaarde komt namelijk niet uit de lucht vallen, maar wordt bepaald door de landbouw. De eerste econoom die daar op wees was David Ricardo, Engels econoom rond 1800, degelijk opgeleid in joodse kringen in Amsterdam. Hij beredeneerde dat de kostprijs van graan niet hoog is omdat de grond duur is, maar dat de grond duur is vanwege de hoge opbrengst van graan. "Not corn is high as land is high, but land is high as corn is high" werd de gevleugelde kreet en politiek van groot belang omdat op dat moment Engeland in een discussie zat over het afschaffen van importbeperkingen op graan. Die Corn Laws sneuvelden op basis van de volgende redenering: als er veel vraag is naar graan zal er extra land in productie worden genomen die minder geschikt is dan de al in gebruik zijnde. Woeste gronden worden ontgonnen. Op die grond kun je nauwelijks winst maken, de grondwaarde is ongeveer nul, alle kosten gaan op aan de teelt (zoals heden ten dage achterin Argentinië of de Oekraïne). De marginale kostprijs van die (laatste) tonnen granen, met een zeer lage marginale grondwaarde, bepalen de marktprijs. Op goede gronden waar meer groeit, levert een kg tarwe dezelfde prijs op, maar is er dus een grotere opbrengst per ha. En dus kunnen boeren daar meer betalen voor de pacht of de aankoop van een hectare grond. Zo eigenen de (groot- )grondbezitters zich de 'rent' toe, de pacht als overwinst (het verschil tussen de marktprijs en de lokale, lagere marginale kostprijs).

Het mechanisme dat de rent zich vast kleeft aan de meest schaarse factor kennen we op veel plaatsen in de economie. Als er melkquota of mestrechten worden geïntroduceerd, zijn die rechten nog schaarser dan grond, en krijgen ze een aparte waarde. Omdat er midden in Rotterdam en Roermond veel verdiend kan worden met winkels of kantoren, is de grondprijs er hoog. Zichtlocaties langs de snelweg kosten wat meer dan een perceel achteraf want je kunt er wat extra verdienen met reclame en voor klanten ben je beter en dus goedkoper te vinden.

Dit betekent dus dat hoge grondprijzen aangeven dat de grond schaars is en er goed mee kan worden verdiend. Als ik ergens op bezoek kom, informeer ik ook meestal even naar de grondprijs en hoe die zich ontwikkelt. Hoge en stijgende prijzen zijn een goed teken. Individuele boeren klagen in zulke gesprekken overigens steevast over te hoge grondprijzen. Gelijk hebben ze, want vanuit hunzelf gezien is dat ook zo. Dat komt, zoals we op de etappe van gisteren ook zagen, omdat de grondgebonden landbouw lage marginale kosten per eenheid product heeft ten opzichte van hoge gemiddelde kosten. En dus hoge marginale opbrengsten. Met bestaande capaciteit aan arbeid en machines is er vaak ruimte voor wat extra productie om zo schaalvoordelen te realiseren. Maar daar is wel extra grond (en soms productierechten) voor nodig.

Boeren met goede resultaten die ook nog eens veel belasting betalen, kunnen relatief veel bieden voor een paar hectare extra grond. In oude gebouwen zijn ze zelden geïnteresseerd. Gevolg is dat de verkoopprijzen van boerderijen voornamelijk bepaald worden door de verkoopprijzen van de afzonderlijke activa (vooral grond en productierechten, die aan verschillende kopers kunnen worden verkocht). En het zijn de boeren met de hoogste marginale opbrengsten voor een extra hectare die daar het meest voor kunnen bieden. Die 10% van de boeren bepaalt de marktprijs, de andere 90% heeft lagere marginale opbrengsten (de verschillen tussen bedrijven in kosten en inkomens zijn enorm) en vindt de grond dus te duur. Gelijk hebben ze.

In andere delen van de economie wil men voor een goedlopend bedrijf vaak meer betalen dan de waarde van de afzonderlijke productiemiddelen en komt "asset-stripping" niet zo vaak voor. Dat verschil in waarde noemen we de goodwill: blijkbaar is er iets dat dit bedrijf, deze winkel uniek maakt. In de landbouw is het net andersom, er is "badwill": de totale waarde van de productiemiddelen op een boerderij ligt vaak hoger dan de inkomensgenererende waarde van de kleine bedrijven in onopgesplitste vorm. Vanaf de jaren vijftig is genoemd verschil tussen de 'going concern'- waarde of 'agrarische' waarde en de verkoopprijs van grondgebonden landbouwbedrijven alleen maar groter geworden. Meer dan vroeger leven boeren arm en sterven ze rijk – en is het vaak alleen maar mogelijk om boer te worden als je het bedrijf beneden de marktprijs van de familie kunt overnemen. Een winkel kun je met hulp van de bank nog wel kopen, een boerderij moet je deels krijgen.

Een tweede reden dat grond voor veel boeren in Nederland te duur is, komt omdat het ook een beleggingsproduct is. Wie landbouwgrond heeft die ooit een "rode" bestemming als stadsuitbreiding zou kunnen krijgen, maakt kans op een forse waardestijging. Die optie beïnvloedt de waarde en maakt grond niet alleen een (duur) productiemiddel voor een boer, maar ook een beleggingsobject voor de eigenaar. Dure grond zet aan tot intensief (en niet altijd even milieuvriendelijk) gebruik en maakt de bedrijfsvergroting lastig. Het is minder goed mogelijk om door schaalvergroting de kostprijs van de productie te verlagen voor een verbeterde concurrentiepositie en een deel van het rendement moet komen uit het beleggingsaspect. Boeren die dus vooral hun management willen inzetten om te boeren en niet om te beleggen in grond, wijken dan ook nog wel eens uit naar landen waar de grondprijs minder door andere sectoren wordt beïnvloed. Anderen kopen het liefst in de buurt van de stad. Ook bij andere bedrijven in de Nederlandse economie is onroerend-goedmanagement een belangrijk onderdeel van de bedrijfsvoering: veilingen, de NS, Schiphol en zelfs sommige universiteiten hebben een vastgoed bedrijf dat de grondwaarde exploiteert. Naar verluidt komen de winsten bij bedrijven als de NS en Schiphol ook niet meer uit het laten rijden van treinen of laten landen van vliegtuigen, maar uit slimme verhuur van ruimte aan winkels en beleggen in kantoorpanden op eigen terreinen.

Grond is dus net zo'n normaal product als aardbeien, auto's of huizen. De prijs hangt af van wat je er aan hebt, wat je er mee kunt verdienen. Die prijs zal dus stijgen als er meer met het bezit van grond te verdienen valt. Bijvoorbeeld omdat de innovatie toeneemt met nog weer grotere nieuwe machines, en de marginale kosten van een extra hectare productie dalen. Daarmee stijgen de marginale opbrengsten en dus de maximale prijs die je voor een extra hectare kunt bieden. Je kunt dan meer aan pacht (rent in het Engels en vandaar Ricardo's 'rent'-theorie) betalen, en dus ook als aankoopbedrag voor de grond; die grondwaarde is een veelvoud is van de pacht, die tot in eeuwigheid wordt afgekocht. En zo vloeit een deel van het geld dat verdiend wordt met innovatie naar de grondbezitters die er mee stoppen. Die kunnen een leuk huis voor de oude dag bouwen, en er soms een Volvo voor zetten.
De grondprijs bepaalt dus ook de structuur van de landbouw: als de grondprijs hoog is, kun je veel op een hectare verdienen en zijn de bedrijven in oppervlakte dus relatief klein (niet noodzakelijkerwijze in omzet of toegevoegde waarde). Bedrijven met grote oppervlaktes verdienen vaak weinig per hectare. In ontwikkelingslanden heeft dat al veel mensen tot het idee gebracht dat je -al of niet met geweld- door landhervorming het grootgrondbezit moet vervangen door kleine bedrijven. Niet de oorzaak maar het gevolg (de structuur) wordt dan aangepakt; dat zou nog wel gaan als grote en kleine boeren over dezelfde managementvaardigheden en toegang tot kapitaal zouden beschikken. Meestal is dat niet zo en loopt het op een ramp uit.

Voor beleggende boeren is het wel leuk om te weten dat In Nederland prijzen van woningen en van landbouwgrond opvallende samenhang vertonen. Als er veel geld is in de maatschappij omdat er goed wordt verdiend, ontstaat er extra vraag naar grond voor woningbouw, industrieterreinen, infrastructuur en zelfs natuur. Dan stijgen de prijzen. In zo'n krappere markt houden veel beleggende boeren hun grond het liefst nog even vast omdat de prijzen morgen wellicht weer hoger zijn dan vandaag. Boeren die voor goed geld worden uitgekocht voelen zich, ook fiscaal, vaak geroepen hun geld voor een deel elders weer in grond te investeren. En sinds we niet meer inpolderen neemt de hoeveelheid landbouwgrond dus af, zodat de prijs wel moet stijgen.

In West-Nederland kent iedereen in de agrarische sector wel een voorbeeld van iemand die niet een maar wel al twee keer is uitgekocht. Op die manier kun je ook in Nederland schaalgrootte realiseren. Dat is een van de weinig belichte motoren van de Nederlandse landbouw: de gelden die vanuit de stad via de projectontwikkelaars de landbouw instromen. Het is de vraag of dit mechanisme nog lang bestaat. De cijferende Planbureaus CPB, MNP en RPB hebben scenario’s voor 2040 doorgerekend en komen tot de conclusie dat in drie van de vier scenario’s er na 2020 geen noemenswaardige extra ruimte in Nederland meer nodig is voor bedrijfsterreinen en woningen. Er is dan een afnemende bevolkingsgroei en de beroepsbevolking wordt kleiner. Zeker buiten de Randstad. Alleen in een scenario met veel immigratie waarbij de bevolking nog met een paar miljoen toeneemt, zal de grondonttrekking fors doorzetten. Wie belang heeft bij blijvende hoge grondprijzen, moet dus voor immigratie kiezen, of hopen dat de welvaart erg toeneemt en iedereen een bungalow wil.

In een dicht bevolkt gebied als Nederland waar je in een dagje van het ene intercity station in Roermond naar een andere in Venlo loopt, wordt de prijs van een stuk grond dus niet alleen bepaald door wat je er als boer mee kunt verdienen. Ze wordt vooral bepaald door de ligging ervan, en met name of aan die ligging een specifieke bestemming is gekoppeld. Ligt een perceel volgens de Nieuwe kaart van Nederland in een toekomstig EHS- natuurgebied, dan is de prijs 44% lager dan gemiddeld: nog geen 25.000 euro. Gaat het daarentegen om een gebied met vestiging van glastuinbouw dan ligt de prijs 75% hoger. Dat percentage stijgt nog als het bovendien om een kleine verhandelde oppervlakte gaat (bijvoorbeeld 1 hectare), zoals vaak voorkomt in glastuinbouwgebieden, en er meerdere bedrijven geïnteresseerd zijn. Ligt het perceel ten slotte ook nog in een gebied waarvoor concrete plannen voor stedelijke bebouwing zijn ontworpen, dan verdubbelt de prijs tot minstens 200.000 euro per hectare en rond Rotterdam nog meer. Kortom, de grootste invloed op de grondprijs gaat uit van een geplande verstedelijking, gevolgd door een glastuinbouwbestemming. Een natuurbestemming heeft een negatieve invloed op de prijs.

Die verschillen in grondprijs tussen de verschillende bestemmingen zijn zo groot, dat de verstedelijking ook nooit zal worden gestopt doordat de landbouw zo goed draait. Het is ondenkbaar is dat een ander landbouwbeleid een waarde van landbouwgrond  zal genereren die op kan tegen biedprijzen voor infrastructuur, bedrijventerreinen of woongebieden. Als we willen dat Midden-Limburg niet wordt volgebouwd of dat het Groene Hart geen Los Angeles-karakter krijgt dan zal enige vorm van handhaafbare regelgeving rond de bestemming nodig zijn. Daar hebben we de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor. Uit mijn woonkamer thuis kan ik zien dat die in het Groene Hart niet erg effectief is, zodat uiteindelijk nieuwe nationale parken nodig zullen zijn.

Ricardo's 'rent'-theorie over de hoogte van pacht- en grondprijzen geldt ook voor andere rechten waar de winst aan kan kleven, zoals melkquota of mestrechten. Veel landbouweconomische beschouwingen gaan over het inkomen van boeren, en het effect van beleid daarop. Vermogenseffecten worden ten onrechte vaak buiten beschouwing gelaten. Aan de geschiedenis van de melkquota zie je dat die effecten niet mis zijn. Toen die in de jaren tachtig van de vorige eeuw in Brussel werden bedacht en in de lidstaten werden uitgegeven hadden ze geen waarde. Maar in sommige landen (Nederland voorop) werden ze verhandelbaar gemaakt en door die simpele beslissing kregen quotumhouders/veehouders voor tonnen vermogen in handen: ze zouden hun quotum hebben kunnen verkopen (de opportunity cost) en waren daarmee ineens een stuk rijker. Boekhoudende economen noemen dat op zo'n moment geen inkomen of winst (wat het eigenlijk wel is). Maar ze rekenen wel voor dat boeren vermogender zijn geworden. Sommigen beëindigden hun bedrijf en maakten het quotum te gelde. Om in het buitenland opnieuw te investeren in een groter bedrijf, of om na jaren hard werken een bungalow met Volvo voor de oude dag aan te schaffen. Daarbij moesten ze in de regel wel afrekenen met de fiscus (hoewel er een paar naar het buitenland vertrokken als fiscaal vluchteling en er ook mooie fiscale constructies mogelijk zijn). Anderen kochten quota bij om hun bedrijf te vergroten en namen een lening bij de bank.
Nu de afbouw van de quota vrijwel voltooid is, gebeurt het omgekeerde. Al in 2006 en 2007 zag het gemiddelde melkveebedrijf de waarde van zijn quotum dalen met een half miljoen euro. Ook als je dat corrigeert voor minder te betalen belasting bij eventuele verkoop, is de netto vermogensdaling 350.000 euro. Dat is vele malen het jaarinkomen.
Er zijn bedrijfseconomen (en ik reken mezelf ook tot die school) die vinden dat we de vermogenskant van bedrijven te veel verwaarlozen in de jaarrekening en de rapportage van winst en inkomen. Die zijn voor de 'all inclusive' gedachte: alle veranderingen in het vermogen zou je moeten rapporteren in de winst- en verliesrekening als inkomen. Wel gespecificeerd, maar dan krijg je een evenwichtiger beeld. En wordt het duidelijker dat boeren meer hebben kunnen verdienen en verliezen in het activa-beheer, dan met hooien en melken.

Als belegger kun je overigens beter in vastgoed buiten de landbouw dan binnen de landbouw investeren, tenminste als je rendement wilt halen. Op een euro geïnvesteerd in de retail maak je een rendement dat boven de 20% ligt (althans in 2002- 2004 was dat zo) en ook in de verwerking en toeleverende industrie is het rendement vaak een getal met twee cijfers. In de land- en tuinbouw zelf is het op zijn best rond de nul, soms negatief. Ook dat wordt verklaard door Ricardo's rent-theorie: de hoge marginale opbrengsten bij hoge vaste kosten leiden tot een hoge waarde van het onroerend goed, er zit dus veel geld in de landbouw. Maar bedrijven zijn klein en verdienen door de hoge vaste en lage marginale kosten weinig omdat de structurele ontwikkeling achterblijft bij wat de techniek mogelijk maakt. Lage rendementen, en vandaar ook dat boeren veelal weinig schulden hebben: met eigen vermogen is het wel te financieren maar een bank of een investeerder steekt er meestal maar een beperkt bedrag in. Alleen als men weet dat het onroerend goed echt zijn waarde zal houden, en de ondernemer in staat is een goed rendement te halen, wil men een groter deel financieren. Bij de retail is het net andersom: omdat het zo goed rendeert, staan financiers in de rij om obligaties te kopen of leningen te verstrekken. Als je daar maar 6% rente op betaalt, en je rendement op het totale vermogen is 10% dan zul je liefst driekwart van het bedrijf met vreemd vermogen financieren. Je maakt daar 4% extra rendement op, zodat het rendement op je eigen vermogen 22% is. Hefboomwerking heet dat in het jargon.

Vaak leidt dit soort analyses bij boerenvakbonden tot een pleidooi voor betere prijzen van producten. Herverdelen van de winst in de keten dus. Men vindt de markt niet 'eerlijk'. Maar een markt is niet eerlijk of oneerlijk, de markt werkt nu een keer op deze manier en geeft zo signalen af dat investeerders (en dat zijn boeren ook) er beter aan doen hun geld elders te investeren. Althans die 90% die grond te duur vindt. Zolang ze dat niet in grote getale doen, en liever zelf grond kopen en daarmee de grondprijs hoog houden, zorgt dit er in ieder geval voor dat het gezinsbedrijf nog niet verdwijnt, want tegen deze rendement is er geen beursgenoteerde onderneming die een boerderij begint.

Afgelopen jaren heeft de Europese Unie het landbouwbeleid fors aangepast en de ondersteuning van prijzen van agrarische producten vervangen door toeslagrechten. Dat betekent dat de prijzen van melk en suiker dalen, en in plaats daarvan krijgen boeren een bedrag per ha op hun bankrekening gestort. Die rechten om die toeslag te ontvangen waren afgelopen jaren  verhandelbaar. En kregen dus een waarde, maar die waarde is relatief bescheiden: in 2007 lag die op twee, hooguit drie keer de jaarlijkse betaling. Je zou dat hoger verwachten, tenslotte is de rentestand niet zo hoog, dus aan een uitbetaling over 5 jaar kun je ook nog wel wat waarde toekennen. Veel boeren hadden ook hogere verwachtingen van de waarde. Met de theorie van Ricardo kun je wel verklaren waarom die waarde toch niet zo hoog was. Allereerst werd in de markt veel risico ingeprijsd: je kunt ook zonder toeslagrechten produceren en boeren waren bang dat er komende jaren drastische maatregelen genomen zouden worden de premies te beperken of anders aan boeren toe te delen, dus nemen ze niet al te veel jaren mee in de waardering.

Verder moet je om je geld te krijgen allerlei formulieren invullen en wordt je strenger gecontroleerd, met grotere boetes (zoals verval van toeslagpremies) of je je wel aan allerlei EU regels zoals de Vogelrichtlijn en Nitraatrichtlijn houdt (de zgn. cross compliance). Kortom de marginale opbrengsten zijn minder hoog dan je denkt en zijn op termijn risicovol. Een groot verschil met quota is dat de marginale opbrengsten per ha om nog een andere reden sterk verschillen: bij quota worden die bepaald door de 10% boeren met de hoogste marge die door hun management en bedrijfsopzet veel per kg melk of ha suiker kunnen verdienen.  Maar hoe hoog je marge per ha in de graanteelt ook is: het heeft geen enkele invloed op je uitkering van je toeslagrecht. Die blijft een vast bedrag per ha. Daar is dus geen 10% van de boeren die hele hoge prijzen betaalt, daar is iedereen bereid ongeveer hetzelfde bedrag te betalen.

Een ander verschil is dat er weinig boeren zijn die willen kopen. Allereerst hebben kopers zgn. bloot land nodig om het geld te kunnen incasseren. Bloot land ('nude land' zeggen de Engelsen) is de oppervlakte landbouwgrond waarop geen EU-toeslagrechten rusten, hoewel die daar wel voor in aanmerking komen. De verhandelbaarheid is maar beperkt  als vrijwel alle gronden worden benut om (maximaal) toeslagrechten te innen. Zo rustte in Frankijk al op 96% van de grond een toeslagrecht, omdat er in de uitgangsperiode bijna alleen gewassen werden geteeld waarop een toeslag is verkregen. Er is dus maar 4% “bloot land”. En slechte verhandelbaarheid is slecht voor de prijs.
Boeren die willen uitbreiden door grond te kopen, hebben daar geld voor nodig en waren niet geïnteresseerd in de toeslagrechten of sterker nog: verkopen hun huidige rechten om extra grond te kunnen kopen. De koper van toeslagrechten (ook als dat een boer is) weegt deze belegging af tegen twee alternatieven: nog meer grond kopen voor bedrijfsuitbreiding of staatsobligaties kopen (of sparen als je dat makkelijker vindt). Staatsobligaties leveren rendement op zonder dat je grond hoeft te hebben en je loopt geen risico's van afschaffing of extra cross compliance eisen of controles.
 Natuurlijk dalen de prijzen van de toeslagrechten ook weer niet naar nul: dan treden kopers toe die nog wel bloot landen hebben en het risico willen lopen. Dat betekent dus dat de markt ook aangeeft hoe betrouwbaar we denken dat Brussel en Den Haag zijn in het ongemoeid laten van de toeslagen.

Hoewel voor een econoom de markt voor grond niet veel anders is dan die voor auto's, ligt dat politiek wel anders. Er gaan grote bedragen in om en grondbezitters profiteren van het opkopen van grond voor de bouw of van premies die voor boeren zijn bedoeld. In socialistische kring is in het verleden dan ook wel gepleit voor de nationalisatie van grond, maar dat kun je dan met evenveel reden wel met de woningbouw doen. En dan zet je de signaalwerking van de markt buiten spel, met alle nadelen voor de welvaart van dien. Het is er dan ook nooit van gekomen.

In het verleden is er door de overheid wel veel ingegrepen in de pachtmarkt. Pacht is een contract waardoor je geen eigenaar van de grond wordt (en dus niet van het beleggingsrendement profiteert), maar wel de grond kunt gebruiken. In vroeger tijden was de lokale landheer / grondbezitter vaak oppermachtig en de pachter minder geschoold en erg afhankelijk. Dat kon tot misbruik leiden. En als een pachter niet langere tijd over de grond kan beschikken is het ook erg risicovol om in een kavelpad of drainage te investeren: hij kan er morgen weer afgejaagd worden en zou dan zijn investering kwijt zijn. Allemaal redenen om de pacht, net als de huur van woningen, sterk met wetten aan regels te binden. Daarbij werd ook de prijs gereguleerd, zodat de stijging van de prijzen van producten bij de pachtende boer en niet bij de grondbezitter terecht zou komen. Maar ingrijpen in de markt kan niet zonder gevolgen blijven. Door een sterke prijsregulering van die pacht, liep het areaal terug. Verpachters hadden bij het beëindigen van het contract een sterke prikkel geen nieuwe pachter te zoeken maar het verschil tussen de waarde in verpachte staat en de waarde vrij van pacht, te incasseren. Grond met een pachtcontract was minder waard dan vrije grond zonder pachtcontract, waar je als eigenaar zelf kon telen en van prijsstijgingen kon profiteren.

Sommige grote verpachters (zoals vezekeringsmaatschappijen, de zogenaamde institutionele beleggers) halen daaruit een deel van hun rendement. Dit was uiteindelijk aanleiding de pachtprijs meer te koppelen aan de grondprijs. Nieuwe pachtvormen (zoals kortlopende teeltpacht) zijn geïntroduceerd om de specialisatie en schaalvergroting van boeren te ondersteunen. Sommige boeren hebben geen behoefte aan het beleggingsaspect van grondbezit en willen hun bedrijfsvergroting via pacht als financieringsinstrument regelen. Anderen zijn specialist in bepaalde teelten zoals bloembollen, spruitkool of aardappelen, die niet elk jaar op hetzelfde perceel geteeld kunnen worden. Zij willen graag een toegesneden contractvorm voor een éénjarige pacht van een collega-ondernemer die wel goede grond bezit voor die teelt, maar er geen tijd, machines of knowhow voor heeft. In dit soort situaties is de pachter helemaal niet meer de afhankelijke underdog die beeft en siddert voor de pachtheer. Hij is een geschoolde ondernemer die weet wat voor contract hij tekent, en die de keuze heeft tussen verschillende aanbieders.

Intussen hebben we de bossen op de Duitse grens achter ons gelaten. Vanuit de natuur naderen we langzamerhand de stad Venlo, ik kijk uit naar mijn biertje op een terras. Dat lijkt me wel verdiend na 30 kilometer wandelen. We passeren Tegelen, waarover morgen meer, en naderen de stad die zich graag als Europees distributiecentrum presenteert. Venlo is al eeuwenlang een internationaal verkeers- en handelsknooppunt. De stad kwam tot bloei toen aan het eind van de Middeleeuwen het transport over water het begon te winnen van het transport over land. Venlo werd een overslaghaven en marktplaats voor massagoederen. En dat brengt ons aan het eind van deze etappe bij de Pruisische grootgrondbezitter en econoom Johann Heinrich von Thünen, die als een van de eersten beredeneerde dat je voor de waardebepaling niet naar gemiddelde maar naar de marginale kosten en opbrengsten moet kijken. Op basis daarvan beredeneerde hij in 1826 dat grond dicht bij de stad, met lage transportkosten naar de markt, duurder is en voor hoogrenderende activiteiten wordt gebruikt, terwijl extensief grondgebruik te vinden is in de periferie. Producten met hoge transportkosten relatief tot hun hoge waarde (bijvoorbeeld versproducten waarvan veel verloren gaat -of althans ging- bij transport over grote afstand) kun je het beter dichter bij de stad produceren dan producten van lage waarde met lage transportkosten. Aan de grond dicht bij de stad (of beter: dicht bij de markt) kleeft dus een "rent" als gevolg van de locatie. Daarmee ligt de grondprijs er hoger en dat dwingt dus boeren tot het telen van die hoogwaardige gewassen. Zou je dat gewas op grotere afstand van de markt gaan telen, dan tellen de transportkosten zo hard door, dat het verlieslatend wordt, andere gewassen worden profijtelijker. En zo vindt elke activiteit zijn juiste plek. Groente en zuivel in een ring rond de stad, extensief gehouden vleesvee (dat vroeger op eigen kracht naar de stad liep en daar in de buurt nog even werd afgemest) vind je op grote afstand. En in de ring daarbuiten resteerden in Von Thunens tijdperk de woeste gronden. Geen wonder dat je natuurgebieden altijd ver buiten de stad vindt.

Ondanks dat in onze tijd de transportkosten dalen, is het locatie-model van Von Thunen nog altijd springlevend. Zo verdwijnt op dit moment de suikerbietenteelt in het oosten van Oost-Duitsland, waar Von Thunen zijn landgoed exploiteerde. NordZucker heeft na de Wende een grote nieuwe fabriek bij Magdeburg (min of meer op de oude grens tussen Oost- en West Duitsland) neergezet in het centrum van de bietenteelt. Nu de prijzen en de productie dalen, gaan de transportkosten over 250 km autobahn zo sterk doortellen dat de buitenste productiering afvalt. Maar ook buiten de landbouw geldt het model. Loop door de Kalverstraat of de Lijnbaan en je ziet geen koffietentjes of cafetarias. De dure winkels zitten in de hoofdstraat, de broodjeszaak en de kunstgalerie een eindje er vanaf. Net zoals er geen autoshowrooms en grote meubelwinkels midden in Roermond en Rotterdam zitten: die grond is te duur en ze zijn naar de rand van de stad verdreven.

Een paar jaar geleden  dacht ik een uitzondering op Von Thunens model gevonden te hebben. Op de Hongaarse poesta liggen de schapen- en paardenweides met matige grond vaak om de dorpjes, de akkerbouw op afstand. Dat is onlogisch. Maar toen bleek in een museum dat Hongaren historisch als herders worden afgebeeld. Vroeger bracht de volimineuse wol meer op dan de extensieve granen. Dus de dorpen ontwikkelden zich op de poesta, midden op de gemeenschappelijke weide, met de laagrenderende akkerbouw op afstand. Het model klopte ook toen al. We naderen het terras, met verse aardbeien uit de ring rond de stad, en het gerstenat van verder weg.

zondag 25 mei 2014

8 Pey - Roermond

We lopen Pey uit en volgen de rood-witte merktekens van het Pieterpad. Zandwegen voeren ons door bossen en bosjes en langs de velden. We gaan richting Montfort, een dorp dat de oorlog niet heeft overleefd. Hier en daar zien we een tractor, vaak van de kleur groen - het merk John Deere. Mijn eigen sympathie ligt bij Cormick, dat zijn tractoren rood spuit, ook wel onder de naam International Harvester. Begin jaren zestig leerde ik trekker rijden op een Cormick en net als bij auto's blijft je eerste tractor je bij. Later reden we overigens ook veel Ford, dat zijn trekkers blauw spuit. Ik mag er elk jaar nog graag van genieten als onze plaatselijke tractorvereniging met zijn nostalgische rondrit langs komt. Nostalgie en romantiek zijn mooie emoties maar natuurlijk niet in de business-to- business markt om een nieuw apparaat te kopen. Dan telt alleen een zakelijke afweging van prijs en kwaliteit, het zijn geen consumentengoederen die soms wel op emotie worden gekocht.

Vroeger had je overigens veel meer tractormerken dan nu: Allis-Chalmers (met dat ene kleine wiel van voren), BM - Bolinder Munktell (uit Zweden), Valmet (uit Finland), Deutz, Hanomag, Ferguson, Massey-Harris, Belarus (inderdaad uit Wit-Rusland) en nog tientallen anderen. Zoals in alle volwassen industrieen is er concentratie opgetreden: bedrijven kopen elkaar op, alleen de allerbeste technologie overleeft de concurrentie en nu zijn er nog maar een paar concerns over. Dat is een normaal verschijnsel, zo werkt de markt in ons voordeel. Je ziet het ook in de autoindustrie; het wemelt er van de verdwenen bedrijven, waarvan sommigen nog als merknaam voortbestaan: Simca, Talbot, Citroen, Peugot, Renault, Opel, Daf, Spijker. Af en toe komt er een nieuw bedrijf bij die wat bijzonders maakt (Donkervoort) of uit een lage lonen land komt en zich opwerkt (Toyota, Hyundai). Dat hoort typisch bij de ontwikkeling van een bedrijfstak. Die begint met veel, vaak ongerichte innovatie waarbij veel ondernemers denken iets bij te kunnen dragen en er iets aan te kunnen verdienen. Veel koetsenbouwers begonnen auto's te bouwen, en soms (net als wagenbouwers) ook tractoren. Daarna komt de concentratie - iets wat je nu ook in de wijnbouw, de intensieve veehouderij en de tuinbouw ziet gebeuren.

Soms zorgt de economische omgeving ervoor dat er verschillen in techniek blijven bestaan. Zo kom je in Australie en Amerika op de weg de vrachtauto's met twee aanhangers tegen: de Road Trains. In Nederland wordt dat niet vertoond, hoewel de koolzaadwagens van de toenmalige Rijksdienst voor de IJsselmeerpolder die begin jaren zestig ook met drie wagens achter een tractor reden. Dat mocht in de nieuwe polders (het was geloof ik een soort eigen terrein waarop het wegenverkeersregelement van toepassing was verklaard) en wij vonden dat als kinderen imposant. De grote vrachtwagens illustreren dat er veel ruimte is. De vrachtauto's hebben er ook een imposante motorkap. In Europa lukt het je niet om daar de Albert Heijn in de Dorpsstraat mee te bevoorraden (te grote draaicirkel) en is de cabine dus bovenop de motor gebouwd en zijn de opleggers wat kleiner. Economische schaarsteverhoudingen geven de techniek vorm.

Er is in zo'n eerste periode waarin zich een nieuwe bedrijfstak als de automobiel- of de tractorindustrie ontwikkelt, veel geld beschikbaar om nieuwe zaken te ontwikkelen. Direct uit eigen middelen of moderner via venture funds. Ook hier werkt de markt. Maar er woeden in economenland soms wel discussies hoe de markt werkt en of de markt wel goed genoeg werkt. Zo wordt er nog wel eens beweerd dat je er op zo'n nieuw terrein als de kippen bij moet zijn, en liefst als eerste. Dan vestig je je (merk)naam en er zou een leren-door-doen effect optreden: hoe meer je in de loop der tijden produceert, hoe meer je leert, en de kostprijs daalt. Het bestaan van zo'n first- mover advantage en het learning- by- doing effect, hoe voor de hand liggend ook, is echter nog al omstreden. Er zijn ook veel voorbeelden waar het anders is gelopen en de markt nu in handen is van een latere toetreder. In de software- industrie zie je dat bij zoekmachines en bijvoorbeeld bij spreadsheets. Nu werken veel mensen met Excel, maar in de jaren tachtig begon ik met het pakket Symphony, een voorloper van Lotus123. Ook PcCalc en SuperCalc waren toen bekende paketten.

Ook bij boeren en tuinders gaat het vaak zo: de eerste toepassingen mislukken, die boeren worden uitgelachen, de rest wacht nog even af en na een paar jaar lukt het iemand anders wel en volgt toepassing op grote schaal. De innovatie is dan profijtelijk in een werkproces ingepast.

Een andere discussie is de vraag of de markt wel altijd het "beste" systeem kiest. Of zou de overheid de keuze moeten sturen? En daaraan gerelateerd of de geschiedenis geen te zwaar stempel drukt op de innovatie, de zogenaamde padafhankelijkheid. Soms kiest de markt voor iets dat technisch niet de beste oplossing lijkt. En als de keuze dan een keer gemaakt is en iedereen gebruikt het, dan zit je er aan vast, de technologie is een standaard geworden en je verandert niet meer zo makkelijk met zijn allen. Dat heet het lock-in effect, je zit opgesloten in de gemaakte keuze. Dat komt dan vaak weer omdat een technologie netwerk-effecten heeft: ik heb niets aan een telefoon, tenzij er meer mensen een telefoon kopen. Anders is er niemand om mee te bellen; maar dat betekent ook dat ik alleen niet meer zo makkelijk zal kiezen voor een andere mobiele standaard dan GSM.

Zo was er indertijd een hele heisa over de standaard voor video: VHS of Beta. Beta was volgens de technici beter qua beeld, het werd ook al langer in de filmindustrie gebruikt. VHS won in de markt en prompt werd de wijsheid van de markt in twijfel getrokken en het padafhankelijkheidsprobleem breed uitgemeten. Met argumenten voor overheidsingrijpen, want de markt zou hier falen. Maar in werkelijkheid gaven consumenten weinig om de betere beeldkwaliteit van Beta op hun kleine TV. Ze hadden liever VHS dat de capaciteit van de cassette gebruikte voor wat mindere beeldkwaliteit maar een langere speelduur zodat je een film of voetbalwedstrijd op kon nemen. Een andere beroemde case is die van ons QWERTY- toetsenbord, waarop ik dit boekje tik. Het later ontwikkelde Dvorak toetsenbord zou efficienter zijn, maar dat is nooit echt goed bewezen en vermoedelijk een fabeltje. Waar nodig werd QWERTY wel aangepast, in Frankrijk is het AZERTY. Locked-in door padafhankelijkheid komt dan ook minder voor dan velen denken. Kijk ook maar hoe makkelijk we switchen van 78-toerenplaatjes naar LP's, naar muziekcasettes, naar CD's, DVD's en naar iTunes.

Innovatie vindt je op de vreemdste plekken. We naderen intussen Sint Odilienberg, fraai gelegen op een heuvel aan het riviertje de Roer. Aan de linkerkant ligt het oude landgoed Hoosden en vanaf de heuvel duiken we het Roerdal in, bebouwing is er niet vanwege de soms hoge waterstand. Op veel plaatsen in het landschap zie je populieren. Vaak in een bomenrij, soms een perceel. Het Pieterpadgidsje legt uit dat ze vruchtbare grond, veel licht en vocht vragen. Ze wortelen niet diep, maar zijn wel stormvast. Stekken makkelijk (een twijg in de grond is genoeg), de klonen hebben exact de eigenschappen van de moederboom en ze groeien snel. Het hout wordt gebruikt voor klompen, lucifers, en vooral papier. Van oudsher hadden we maar drie soorten in Nederland: de zwarte populier, de abeel en de trilpopulier. Innovatie heeft er voor gezorgd dat deze autochtonen inmiddels verder verbeterd zijn, of verdrongen door buitenlandse varianten. De bekende 'Canada' is al in de 19e eeuw ontstaan uit een kruising van onze zwarte populier en een Amerikaanse soort. De Italiaanse variant doet het goed rond boomgaarden. En natuurlijk is er een variant die al in 15 in plaats van 25 jaar kaprijp is. Maar voor ons wandelaars blijft het natuur, waar we doorheen wandelen naar de monding van de Roer.

Veelal lijkt het of de innovatie in de landbouw uit de lucht komt vallen. Ineens is er de tractor, de 'Canada', de snijmais (in Nederland in de jaren zeventig van een paar duizend naar meer dan 100.000 ha), de melkrobot, de biologische landbouw. Maar dat is niet waar. Veel van die innovaties komen niet uit de lucht vallen maar van buiten de landbouw. Daar hebben we al een aantal industriele revoluties achter de rug. De eerste (in de 18e eeuw) draaide op steenkool en katoen, en bracht de textielnijverheid van het platteland naar de fabriek. Dat betekende relatief minder werkgelegenheid op het platteland, maar dat kon ook want de Engelse wetenschapper Jethro Tull vond al in 1701 de zaaimachine uit, liet ossen door paarden vervangen, ontwikkelde een schoffelmachine en propageerde mest. Binnen een eeuw verdubbelde de Europese bevolking. Toen in de jaren zestig de jeugd 'on the road' het platteland herontdekte, kreeg Tull opnieuw erkenning op LP en CD in de naam van een populaire rockband.
De tweede industriele revolutie draaide (vanaf 1830) op stoom, bracht de spoorwegen en droeg er aan bij dat goedkoop Amerikaans graan de Europese markt overstroomde. De derde golf (vanaf 1875) met staal, electriciteit en zware metaalindustrie deed er nog een schepje boven op. Het bracht de Eiffeltoren en stalen stoomschepen met nog meer graan. De graancrisis werd in Europa de basis voor landbouwbeleid en in Nederland voor landbouwvoorlichting, - onderwijs en kwaliteitsmanagement. Daarna kwam de vierde golf met olie, (petro)chemie en daarmee de auto met massaproductie (plastics!) voor de welvarende mens. Door de twee wereldoorlogen duurde het even voor de innovatie was uitgewerkt, maar de gevolgen voor het platteland waren niet minder groot. Nog meer mensen vertrokken naar de stad, de tractor verving het paard en de mensen. De chemie leverde de kunstmest en de bestrijdingsmiddelen die de productie omhoog joegen en ook een milieuprobleem brachten.
En sinds de zeventiger jaren hebben we de informatie- en telecommunicatierevolutie, waarvan de effecten op de landbouw en het platteland nog onderschat zijn.
Het idee dat zulke golven bestaan komt van de Russische econoom Nicolai Kondratieff, die er in 1925 een boekje over schreef. Een Kondratieff-golf duurt zo'n 45 tot 60 jaar. Waar ze vandaan komen is niet erg duidelijk. Ik hou het op de fundamentele wetenschap, die soms met een nieuwe vinding enthousiasme van mensen en investeerders weet op te roepen.

We mogen dan niet weten waar de golven vandaan komen, we weten wel steeds beter hoe ze in detail werken. Aan het begin van zo'n cyclus in de technologie nog weinig productief, het is uittesten, er worden fouten gemaakt en de technologie wordt nog niet optimaal gebruikt. Zo bleven bij de introductie van de elektriciteit, die in fabrieken de aandrijfbanden verving, fabrikanten toch eerst nog onhandig lange fabrieksgebouwen neerzetten, of elektriciteitsinstallaties per verdieping installeren. De eerste auto's werden als de gebruikelijke koetsen gebouwd, met de chauffeur op de bok. Vaak is niet de techniek zelf het probleem, maar de inpassing in werkprocessen. En soms zijn standaarden nodig, die er eerst niet waren. Zo kreeg elke Nederlandse gemeente pas een uniforme tijd (in plaats van de werkelijke zonnetijd) na 1900, omdat het toenemend treinverkeer dat nodig had voor een goede dienstregeling. Die standaarden zijn overigens iets waar de overheid soms goed behulpzaam bij kan zijn.

In die eerste fase is er dus veel innovatie en geld ('hot money'). Vaak kom er daarna een financiele crisis en vervolgens een lange periode waarin de techniek profijtelijk wordt uitgerold. Aan het eind van een Kondratieff cyclus wordt de oude technologie minder productief en vertoont allerlei nadelen. Afnemende meeropbrengsten. We zien dit nu in de landbouw met de milieu- effecten van de chemie of de leegloop van sommige Europese plattelandsgebieden, vooral in de bergen. Nieuwe vindingen krijgen dan een kans. Vaak in 'niches' om een probleem uit de oude cyclus te helpen oplossen: de eerste stoommachines die op zeilschepen werden bijgeplaatst, waren bedoeld voor perioden en gebieden met windstiltes. Pas later had de stoommachine de wind zo in de zeilen dat men het doek definitief kon strijken. De eerste auto’s werden in New York toegejuicht omdat er veel milieuvervuiling was van de paarden in de stad: veel mest op straat en per dag moesten tientallen dode paarden worden weggesleept. Hier werkt de markt dus al om te bepalen of een vinding succesvol wordt.

Op dezelfde manier is precisie-landbouw, waar informatietechnologie wordt toegepast, een oplossing voor overdadig gebruik van chemische middelen. Maar ook de chemie zelf zit met zijn kennis uit de vorige golf niet stil en maakt middelen minder schadelijk. De markt bepaalt dan wel wat er aan innovatie overleeft: een duurder maar minder schadelijk bestrijdingsmiddel, de spuitcomputer, de maisrobotjes die zelf onkruid wieden of alle drie. Een kwestie van kosten en baten.

Over zulke ontwikkelingen kun je mooie kip-ei discussies krijgen. Neem de snelle mechanisatie van de akkerbouw in het begin van de jaren zestig, toen de tractor de aardappelrooimachine kon trekken en veel landarbeiders in de haven van Rotterdam gingen werken waar de lonen sterk stegen. Als jong onderzoeker boog ik me ooit over de vraag wat oorzaak en gevolg was: werden de arbeiders door de lonen naar de haven getrokken en moesten de boeren in machines investeren, of investeerden de boeren in machines en werden de arbeiders naar de haven gestuurd? Push or Pull? Ik beweeerde geloof ik het eerste en dat bracht me in discussie met een andere landbouw-econoom, ene Cees Veerman die meer voor de andere redenering voelde. Cees werd later nog mijn hoogste baas bij Wageningen UR en minister. Toendertijd concludeerden we gezamenlijk dat het geen kip/ei kwestie maar een haasje-over proces was waarin er stapje bij stapje steeds grotere machines kwamen (tot ze te groot werden, de 6-rijige aardappelrooier werd nooit een succes) en mensen uittesten wat de haven te bieden heeft: eerst gaan alleenstaande avonturiers, daarna complete gezinnen. Het patroon van afwegen van kosten en baten zit er dus duidelijk in.
Ook op grote schaal. Dat is de theorie van de opgewekte innovatie (induced innovation) van de Japanner Huyiro Hayami en de Amerikaan Vernon Ruttan. Ze constateerden dat de mechanisatie in de Amerikaanse landbouw in de 19e eeuw een gevolg was van gebrek aan arbeid en een overschot aan grond. Ofwel de arbeid was relatief duur (en kwam via immigratie uit Europa) en land was vrijwel gratis (als je de bisons en de indianen er af jaagt). Het was dus aantrekkelijk machines uit te vinden waarmee je per man meer hectares kon bewerken. En dus vond Cyrus McCormick de graanmaaier uit. In het overbevolkte Japan was in die tijd grond duur en de arbeidskosten relatief laag, dus daar richtte de innovatie zich op technieken die de productie per ha opjoegen, zoals irrigatie van de rijst. Terzijde: McCormick zelf maakte de komst van 'zijn' en 'mijn' tractor al niet meer mee, dat was pas aan het begin van de 20e eeuw. En hij liet naar Amerikaans gebruik zijn vermogen ondere andere na aan de Farm Foundation, een stichting die tot mijn vreugde en profijt hedentendage nog regelmatig bijspringt in het organiseren van bijeenkomsten van landbouweconomen.

Onze etappe nadert Roermond, de grote Munsterkerk komt in zicht. We hebben in deze wandeling van het Pieterpad een beter beeld gekregen waar de innovatie en de vernieuwing van productiesystemen vandaan komt. Ook dit wordt door markten geregeld. Hoewel de Franse overheid met zijn grote projecten als de TGV daar anders over denkt, kan de overheid de innovatie in de regel rustig aan de boeren, burgers en buitenlui overlaten. Zeker in de landbouw, waar veel innovaties van andere sectoren worden afgeleid. In hun tredmolen hoeven boeren en anderen zich alleen maar af te vragen of ze hun investering zich in een aantal jaren terug zullen verdienen. Er zijn technieken voor om dat uit te rekenen, dat noemen we investeringsselectie. Dat is minder simpel dan het lijkt, maar daar hebben we het nog wel eens over. Op dit moment is de boodschap dat we door het zelf doorvoeren of niet doorvoeren van innovaties, ook automatisch signalen afgeven die de technische en economische ontwikkeling sturen. Ook hier werkt de onzichtbare hand van de markt. De business van de routeplanners en de daarvoor benodigde kaarten is er een mooi voorbeeld van: een miljardenbusiness met nuttige producten, ontstaan (grotendeels in een relatie met Nederland) zonder overheidssteun en zelfs zonder wetenschappelijk onderzoek. We lopen van onze kaart voor vandaag af en pakken morgen de draad weer op op het NS Station van Roermond.

zondag 27 april 2014

7 Sittard - Pey

Tussen Sittard en Pey lopen we langs kleine en grote bedrijven. Althans dat denken we, maar niet alles is wat het lijkt. We zien kleinere en grotere huizen en schuren op boerenerven. Maar je hoeft zeker in de plantenteelt niet altijd grote gebouwen en zeker niet op een plek te hebben om een miljoenomzet te draaien. En niet iedereen met een grote omzet zet een villa neer.

Grote villa's op boerenerven hebben wel ooit aan rijke boeren met waarschijnlijk grote bedrijven toebehoord, maar sommige daarvan zijn nu weer klein - niet meegegroeit met de tijd. Of zelfs beeindigd en in handen geraakt van particulieren die buiten willen wonen of paarden willen houden. Sommige herken je aan de Amerikaanse witte hekken uit de TV series om de weilanden. Niet dat Nederland net zoveel hout heeft als de VS, maar sommigen blijkbaar wel net zoveel geld.
Het is heel lastig om in het landschap de grote van een bedrijf te herkennen. Traditioneel denken we aan 1 bedrijf op 1 locatie met 1 gezin dat er woont. Door de auto en de tractor is dat in toenemende mate niet meer het geval. Ondernemers kopen niet alleen buurmans grond maar hebben ook bedrijven op een tweede locatie. Soms zelfs in het buitenland, zoals landbouwvoormannen als Cees Veerman en Wien van den Brink ook het publiek duidelijk hebben gemaakt. Boerenbedrijven beginnen op de HEMA of in ieder geval de warme bakkers te lijken: dat zijn al langer bedrijven met meer dan 1 vestiging.

De kwaliteit van het landschap wordt dan ook nauwelijks bepaald door de omvang van de bedrijven. Wel door de omvang van de percelen, begrensd door sloten of bosschages. Die maken een landschap grootschalig of kleinschalig, meer of minder eentonig. Waarbij grootschalig ook nog mooi kan zijn en kleinschalig ook eentonig, maar dat terzijde.
In het verleden zijn er in Nederland veel ruilverkavelingen uitgevoerd om beter met machines uit de voeten te kunnen. In een delta verandert het landschap door de eeuwen heen toch en is het de mens die het landschap maakt en naar zijn hand zet. Een land van water en ingenieurs. Niets logischer dus dan het landschap aan te passen aan de stand van de techniek. Nu missen we het oude landschap met de kromme beken en verspreide bosjes. En er komen ook nadelen aan het licht zoals een wel erg snelle waterafvoer, die tot problemen stroomafwaarts kan leiden. Dus trekken we de ruilverkaveling weer recht en maken beken weer meanderend krom. Rond 1970 zat het tegen met de zware industrie en chemie, zodat bij toeval de Oostvaardersplassen als een nieuwe wildernis in een droogvallende polder konden ontstaan op een plek waar industrie gepland was. Sinds die tijd ontwerpen en realiseren we zelfs natuur. Alsof je natuur kunt plannen en maken: het ingenieursidee is in de delta niet uit te bannen.

De ruilverkaveling heeft schaalvergroting in het landschap dus een slechte naam bezorgd en ten onrechte ook de schaalvergroting van bedrijven in een kwaad daglicht gesteld. Maar het proces gaat gewoon door. Dat komt vooral door de mechanisatie. Elke nieuwe tractor en combine van John Deere is weer groter dan de vorige types. Met als gevolg dat een man geen acht ha graan per dag kan oogsten, maar tien ha. En met het volgende type twaalf ha. Zo gaat de arbeidsproductiviteit, de hoeveelheid producten die een persoon produceert, gestaag omhoog. En daarmee de kostprijs dus omlaag. Er is minder arbeid nodig voor dezelfde productie.
Critici, zoals film- en documentaire makers, willen de welvaartsverhogende schaalvergroting nog wel eens ter disucssie stellen. De film Our Daily Bread toonde zes mensen kruipend over de grond om ijsbergsla voor de Greenery te oogsten, ondersteund door een grote machine zodat ze uit de regen zitten en weinig hoeven te tillen. Wat je nauwelijks als grootschalig mag betitelen ook graast de machine als een monster hele kavels af. Maar het is inderdaad anders dan grootmoeder die de tuin inliep voor een kropje sla. Net zoals we onze meubeltjes van Ikea halen, niet meer van de plaatselijke meubelmaker. Zelf vind ik de beelden van een grote vallei met alleen maar olijvenbomen of zelfs het kassengebied van Almeria of het Westland van bovenaf iets moois hebben. Imposant en geasscocieerd met toenemende welvaart. Maar dat zal wel komen omdat ik in de jaren zestig in de ruimte van het grootschalige Flevoland ben opgegroeid.
De grootschaligheid lijkt hier en daar wel gevolgen te hebben voor de relatie tussen mens en dier. Het op de lopende band smijten van eendagskuikentjes en het in dozen proppen van de volgroeide variant ervan, roept vraagtekens op. Door de grote aantallen dieren zijn dit voor de betrokken medewerkers als vanzelfsprekend objecten met een nummer geworden.

Degenen die de nieuwe techniek als eerste toepassen halen een extra winst, hun premie voor de innovatie, de beloning voor het risico om iets nieuws uit te proberen. Maar erg lang hebben ze daar geen plezier van: hun marginale kosten dalen (ze hebben minder tijd nodig om extra ha graan te telen, de combine hebben ze toch). En zoals we weten uit de wandeling van gisteren: dat betekent nieuw aanbod en dalende prijzen. Uiteindelijk profiteert dus alleen de consument, die minder voor zijn bier en brood betaalt. De Amerikaanse landbouweconoom Willard Cochrane noemde dat het tredmolen-mechanisme. Toen paarden in de landbouw nog niet weggemechaniseerd waren, was dat een aansprekend beeld; tegenwoordig moet je eerst uitleggen dat een tredmolen een apparaat is waarmee paarden in een rondje lopen (de tredmolen) en zo een machine aandrijven. Boeren (en andere ondernemers) denken als de paarden in de tredmolen vooruit te gaan door een stap naar voren te doen, maar ze lopen een rondje ten bate van de consument, en houden zo de economie gaande.

De werkelijkheid is wel ietsje minder somber: ook de boer is consument en geniet door de toegenomen arbeidsproductiviteit van een hoger inkomen. Net als de rest van de maatschappij wordt hij of zij welvarender door de stijging van de arbeidsproductiviteit.
Bedrijven worden dus steeds groter, en er zijn er minder nodig. Kleine bedrijven met een hoge kostprijs verdwijnen. Dat is een proces dat in de landbouw heel langzaam verloopt, veel trager dan bijvoorbeeld in de detailhandel waar kleine kruideniers, slagers, drogisten en snackbars in een hoog tempo zijn vervangen door hun grotere soortgenoten van Albert Heijn, het Kruidvat en McDonalds. Dat komt omdat kleine landbouwbedrijven vaak helemaal niet zo'n hoge kostprijs hebben. En zeker geen hoge marginale kostprijs, de kosten van zaaizaad en kunstmest zijn voor 200 ha granen per ha niet veel lager dan voor 20 ha. Machines en gebouwen zijn op kleine bedrijven vaak ouder en zijn grotendeels afgeschreven. De boer in kwestie is vaak ook ouder, en heeft weinig mogelijkheden om op een alternatieve manier met zijn arbeid inkomen te verwerven. Bij een sollicitatie bij de plantsoenendienst nemen ze liever een jong en sterk talent dan een ouder iemand die niet gewend is in teamverband te werken. De opbrengst in een alternatieve aanwending (de opportunity cost) is dus laag. Bovendien dwingt de geldstroom van het bedrijf ook niet om de zaak te verkopen en te solliciteren: als je niet van plan bent te herinvesteren zijn de opbrengsten die de kosten van de afschrijvingen dekken, beschikbaar als inkomen. Zo eet je wel langzaam je bedrijf op, maar dat kan economisch beter uitpakken dan er vandaag mee ophouden en werkeloos worden.

Voor een potentiele opvolger is de situatie heel anders. Zoon of dochter heeft wel de mogelijkheid om op basis van zijn of haar studie ergens aan de slag te gaan en een inkomen te verwerven. Die arbeid heeft dus een hogere opportunity cost. En daar komt de investering in de bedrijfsovername nog eens bij. Voor haar / hem is het bedrijfje al snel te klein: hij / zij stemt met de voeten en kiest voor wat anders. Op dat moment komt het bedrijf te koop: de grond wordt toegevoegd aan een ander bedrijf, erf en gebouwen gaan naar een particulier (soms de potentiele opvolger) die landelijk kan blijven wonen.

Zulke structurele veranderingen gaan dus langzaam in de landbouw, vooral als overschakelen naar een ander beroep lastig is, bijvoorbeeld ook omdat er weinig werkgelegenheid in de buurt is en de technologische ontwikkeling niet zo schokkend is dat het op de oude manier helemaal niet meer kan. Komt er wel verplicht iets nieuws (bijvoorbeeld omdat de melkbussen door de melktank vervangen worden of de legbatterij verboden wordt) dan is dat vaak een moment waarop oudere boeren en kleine bedrijven echt stoppen. Dat is meer dan een mooi excuus: de investering loont niet meer, de marginale kosten worden te hoog.
De structurele ontwikkelingen in de landbouw gaan dus langzaam. Je kunt je afvragen of dat erg is. Ik vind het eigenlijk wel een redelijk sociaal proces omdat mensen op hun vijftigste niet duurzaam werkeloos worden en nog gewoon mee kunnen draaien. Die garantie zouden veel werknemers in de industrie, zoals in de fabriek van Nedcar hier even verderop in Born, ook wel willen. De consument wordt niet veel benadeeld want de marktprijzen liggen er niet hoger door - die worden bepaald door de grote jongens met de lage marginale kosten. Bovendien hebben die het overgrote deel van de productie in handen - vaak geldt een 20/80 regel: 20% van de boeren levert 80% van ons voedsel.

Wel is de arbeidsmarkt er wat krapper door: de plantsoenendienst heeft minder sollicitanten om uit te kiezen. De slechte bedrijfsstructuur met veel te kleine bedrijven heeft in de akkerbouw ook niet al te veel invloed op de productie, het maakt niet zoveel uit of de ha graan nu door een klein bedrijf of zijn grote buurman geteeld wordt. Toch is er wel een effect: kleine bedrijven hebben immers arbeid over en zullen dus andere, intensievere gewassen (zoals uien of aardappelen) telen dan de grotere. Ook in de veehouderij en tuinbouw zou vermoedelijk wel wat eerder prijsherstel na overproductie optreden als bedrijven met een hoge kostprijs ook echt het veld zouden ruimen. Lage prijzen leiden in de landbouw dus op korte termijn maar tot geringe aanpassing van het aanbod, wat overigens niet ongebruikelijk is in markten waar de productie hoge vaste kosten kent. Sommige amerikaanse vliegmaatschappijen (ook een business met hoge vaste kosten) vliegen onlangs lage prijzen ook maar door en zijn constant in surseance van betaling. En Shell stopt ook niet bij een olieprijs van $ 10.-, zoals iwe die n de jaren negentig kenden.

Verder is een gevolg van dit mechanisme wel dat de kleine bedrijven langdurig geplaagd worden door lage inkomens, zeker als je de kosten voor machines, gebouwen en arbeid hoog vast stelt - bijvoorbeeld op CAO-loon. Dan zijn die bedrijven sterk verliesgevend. De allerkleinste bedrijven zijn vaak nevenbedrijven, waarbij een van de partners (of beide) nog een andere activiteit heeft. Eigenlijk zijn dat geen boeren met een inkomen van buiten bedrijf maar vrachtautochauffeurs met wat agrarisch inkomen of verpleegsters met een partner die part-time boer is. Daar valt het met de totale inkomens vaak wel mee, bovendien is er vaak nog vermogen en de ondernemer heeft zich al lang neergelegd bij de gedachte dat er ingeteerd mag worden omdat er geen opvolger zal zijn. Maar op de bedrijven in het midden van het spectrum, die hopen in de tredmolen van de technologische vooruitgang overeind te blijven, is het vaak sappelen: het bedrijf vraagt om investeringen, de arbeidsproductiviteit is aan de lage kant, er is geen tijd voor inkomen van buiten bedrijf en je moet dus de vaardigheid (of het geluk) hebben van hele goede opbrengsten om bij te blijven. Slechts een enkeling lukt het om ook nog te groeien.

Zolang er nieuwe en grotere machines worden ontwikkeld gaat dat proces dus gewoon door. Zelfs als je het stop zou kunnen zetten, duurt het nog jaren voor het proces dat nu loopt, is uitgewerkt. Als het gemiddelde bedrijf langs het Pieterpad nu 50 koeien heeft, en 100 zou optimaal zijn (in werkelijkheid leert Oost Duitsland dat 750 misschien nog wel optimaler is, in ieder geval zijn er Deens berekeningen die wijzen op 300 als efficient), en we zouden Nederland net als indertijd de IJsslemeerpolders morgen even optimaal kunnen inrichten, dan kan de helft van de bedrijven worden beeindigd. Via natuurlijk verloop duurt dat nog jaren, en als we zover zijn is de tredmolen van de techniek al weer verder.

Herstructurering gaat dus nog wel even door. Ik denk dat de informatietechnologie en de robotisering ook nog grote effecten gaan geven. Net zoals die in de autofabriek in Born het productieproces sterk veranderd hebben. Er is geen goede reden waarom je tractoren met de huidige technologie niet onbemand zou kunnen laten rijden. De technologie daarvoor komt uit het leger langzamerhand beschikbaar. In Amerika worden daar al praktijkproeven mee gedaan. Er wordt in navolging van een trio biologische boeren ook ge-experimenteerd met rijpaden, waar machines vaste banen volgen (en de grond niet meer vast klinken) zodat ze zwaarder maar op termijn ook onbemand kunnen zijn. En waarom eigenlijk grote machines: universiteiten houden wedstrijdjes met kleine robots die om de maisplanten heen rijden. Ze zijn nog te duur en niet goed genoeg om er 25 in een veld los te laten (en ik zie de science fiction films al voor me), maar wie weet.
Een tweede reden waarom de vermindering van het aantal bedrijven zeker niet minder wordt, is specialisatie binnen de bedrijven in management en uitvoerend werk. Mijn vader begon ooit als bedrijfsleider in de jaren vijftig op pakweg 50 ha met misschien wel vijf man personeel. In de jaren zeventig bleef hij op zijn eigen bedrijf van 45 ha alleen over. En daar deed hij zowel management als alle uitvoerende werk. Hij was voor zijn tijd goed opgeleid (en ex-voorlichter), maar de huidige generatie heeft minimaal middelbare landbouwschool, vaak hoger beroepsonderwijs en soms de universiteit. Dat zijn dure opleidingen om uren in de melkput te staan of de hele dag trekker te rijden, ook al moet je daarvoor misschien wat meer hebben dan een tractorrijbewijs - maar zeker geen studie bedrijfskunde. Tegelijkertijd komt er op de arbeidsmarkt goedkope arbeid beschikbaar: in Amerika de Mexicanen, hier de Oost-Europeanen (en in het Westland al jaren allochtone medewerkers en soms illegalen). Net als indertijd bij de plantages in de tropen is dan specialisatie tussen management en uitvoerende arbeid mogelijk. In Oost-Duitsland en centraal Europa zie je Nederlandse ondernemers op die manier grote bedrijven runnen.

Ooit zal dit proces wel een keer stoppen, maar waar is niet te voorspellen. Als bedrijven groot zijn, neemt de kostprijs niet meer af. Hij kan zelfs toenemen door coordinatiekosten. In veel bedrijfstakken blijven er uiteindelijk maar een klein aantal spelers over, zelfs zo weinig dat mededingingsautoriteiten als de NMA op het laatst fusies moeten verbieden omdat ze schadelijk zijn voor de welvaart. De grote bedrijven hebben graag het grootste marktaandeel. Nummer 1 en 2 verdienen nog wat, drie speelt misschien quite, daarna wordt het lastig tenzij je je op een deelmarkt weet staande te houden. Voor alle andere bedrijfstakken vinden we dat niet erg, of we zegggen wel dat we het erg vinden dat de snackbar en de slager verdwijnen maar we gaan toch naar McDonalds en Albert Heijn. Er is geen reden daar voor de landbouw anders tegen aan te kijken.

Komende jaren zal ook de arbeidsmarkt zich doen gelden. Jonge mensen stemmen vooral met de voeten en nemen een bedrijf niet over als ze elders in de economie een leuke baan met een goed inkomen vinden. In een aantal gevallen is de keuze voor het onzekere ondernemerschap op het ouderlijk bedrijf toch een negatieve vanwege gebrek aan alternatieven. Door de vergrijzing en de op termijn hopelijk weer goed draaiende economie lijkt dat minder nodig. Boeren zijn gemiddeld altijd ouder dan 50 jaar geweest met het pensioen in zicht. Ik denk dat komende jaren er relatief meer dan in het verleden geen opvolger zullen hebben. Dat is niet erg, het is zelfs gunstig voor onze welvaart en schept kansen voor (jonge) ondernemers die wel in de landbouw aan de slag gaan. En de Pieterpad wandelaar zal er weinig van merken want het landschap zal er niet veel van veranderen, of het moet een toenemend aantal witte paardenhekken zijn.

zaterdag 29 maart 2014

6 Sittard

Sittard is een gezellig stadje, oud en overzichtelijk klein, met leuke terassen. We nemen plaats op een terras op de Markt bij de St. Michielskerk. Ik was van plan een witbiertje te bestellen, maar om vraag en aanbod uit te leggen kan ik beter een portie aardbeien met slagroom nemen. Daar is het bovendien het seizoen voor, en een portie kost maar euro 3,50, wat mij betreft een koopje.
Nu weet elke lezer vermoedelijk wel hoe vraag en aanbod werken, en dat het een belangrijk onderwerp in de economie is. De Nobelprijswinnaar Paul Samuelson grapte al eens dat je er weer een econoom bij hebt als je een papegaai de woorden vraag en aanbod leert. Wat minder mensen beseffen is dat de markt er toe leidt dat alleen de marginale kosten in de prijs worden vergoed. Leuk voor ons consumenten, sneu voor de meeste boeren en andere producenten.

Stel dat de ondernemer die het terras hier even verderop exploiteert, inschat dat zijn marginale kosten voor een coupe aardbeien maar drie euro is (omdat hij een goedkope stageiare heeft of een adresje bij een boer waar hij goedkoop die verse aardbeien haalt), dan is het voor hem aantrekkelijk om ze voor bijvoorbeeld euro 3,25 aan te bieden en lekker een kwartje winst te maken. Dat trekt misschien klanten weg van het terras waar ik nu zit en er zijn ook nieuwe klanten; mensen die 3.50 te duur vondenen dan liever bij de cafetaria aan de overkant een Magnum nemen, maar die nu switchen. Substitutie (van ijs door aardbeien) noemen economen dat. Bij 3.25 worden er dus meer aardbeien verkocht dan bij 3.50.

Als er iets verderop aan de Markt in Sittard nog een derde terras is, en als dat ook een marginale kostprijs heeft van 3.00 euro, zal die de neiging hebben tot de markt van aardbeiencoupes toe te treden en 3.10 of zelfs nog iets lager te gaan zitten. Op "mijn" terras zijn er dan zoveel mensen die switchen naar de andere terassen ("laten we die maar nemen, die ziet er ook leuk uit en de aardbeien zijn hier goedkoop"), dat deze ondernemer gedwongen is zijn prijs te verlagen. Of er mee op te houden. Dankzij de concurrentie neigt de prijs dus naar 3.00, de prijs waarvoor iemand nog net wil aanbieden - zijn marginale kosten. En de uitbater van het terras waar ik 3.50 euro betaalde zal zijn prijs en zijn kosten moeten verlagen, anders maakt hij fors verlies en dat hou je misschien wel lang, maar niet eeuwig vol. Tenzij hij klanten blijft trekken die 3.50 willen betalen omdat hij ook een mooi uitzicht op de St Michielskerk of het landschap biedt, of het eerste terras langs de route is waar uitgeputte mensen als ik neerploffen.
Om concurrentie te laten werken hoeft overigens lang niet iedereen prijsgevoelig te zijn. Als de groep die van terras wil switchen maar groot genoeg is om veel lege stoelen te veroorzaken.

Natuurlijk, - en niet uit te sluiten is dat dit in een dorp of stadje ook gebeurt -  zouden de terrasexploitanten kunnen afspreken de prijs gewoon allemaal op 3.50 te zetten en zo de concurrentie te beperken. Dat mag niet, want dat is slecht voor de consumenten en hun welvaart. De Mededingings Autoriteit ziet daar op toe, maar op kleinere schaal is het lastig te controleren. En op grotere schaal soms ook, zo leerden we uit de bouwfraude. Vooral de uitbater met de marginale kostprijs van 3.50 heeft daar natuurlijk veel belang bij, maar ook de anderen krijgen bij 3.00 alleen hun marginale kosten vergoed, niet hun totale kosten. Samenspanning, kartelvorming ligt al snel op de loer. Behalve als er miljoenen aanbieders zijn (zoals bij boeren): daar is de kartelvorming maar lastig te organiseren, hoewel er door de jaren heen door "vakbonden" steeds weer pogingen ondernomen worden.

Bij aardbeientelers en boeren werkt de concurrentie net zo als op de Sittardse terrassen. Alleen neemt het wat meer tijd in beslag: de restaurants kunnen morgen aardbeien inkopen en op de kaart zetten, maar een aardbeienteler of aardappelteler kan meestal pas volgend seizoen de productie uitbreiden met een extra oppervlakte. De melkveehouder kan misschien met wat meer voer op korte termijn de productie nog een paar procent opkrikken (wat overigens genoeg is voor een forse prijsdruk), slachtkuikens zijn in zes weken slachtrijp, maar bij aardappelen duurt het een jaartje (hoewel er bij sommige producten ook concurrentie is van het zuidelijk halfrond waar onze winter hun [oogst]zomer is).

Het vervelende van de landbouw is dat het een bedrijfstak is met relatief veel vaste kosten en lage marginale kosten. Wie al tien ha uien teelt kan volgend jaar met bestaande machines heel goedkoop ook elf ha uien telen. Bij rundvlees en granen zijn er heel extensieve productiesystemen (bijvoorbeeld in de VS en Argentinie) waar je voor weinig kosten de productie kunt vergroten. Die lage marginale kosten bepalen de marktpriijs. Door de goede productieomstandigheden hebben ook veel Nederlandse boeren en tuinders internationaal gezien een vrij lage kostprijs, maar wie dat niet heeft heeft hetzelfde probleem als de terrasuitbater met een kostprijs van 3.50. Die krijgt het signaal: Verzin een list, verlaag je kosten of ga wat anders verkopen.
Zo zijn vraag en aanbod altijd op zoek naar een evenwicht. Komt er een lage kostenaanbieder bij, of ontstaat er meer vraag en kunnen aanbieders met een wat hogere kostprijs ook een boterham verdienen op de markt, dan is er even een verstoring, maar zoeken aanbieders en vragers op natuurlijke wijze weer naar een nieuwe evenwichtssituatie: de prijs en hoeveelheid waarbij prijs en verhandelde hoeveelheid stabiel zijn. Dat evenwicht is een ideaalbeeld uit het theorieboek en wordt maar zelden echt bereikt - voor het zover is, gebeurt er weer wat dat de markt beinvloedt. Maar het denken in een beweging naar evenwicht is een van de belangrijkste inzichten van de economie. En ook praktisch: als je weet waar je nu bent, waar het evenwicht is en hoe de markt zich daar naar toe beweegt kun je snel miljonair zijn.

Overigens is de landbouw niet uniek in de situatie van een lage marginale kostprijs en hoge vaste kosten. En het is al helemaal geen reden om het marktmechanisme buiten werking te stellen. Software is het meest extreme voorbeeld: er zijn nauwelijks kosten gemoeid met het maken van een extra kopie van Microsoft's Word of van Halo3. Geen wonder dat Microsoft liever geen concurrenten ziet en er belang bij heeft dat het niet te simpel lijkt om om te schakelen naar Apple of Linux. De recreatie is een ander voorbeeld: een lege vliegtuigstoel of een hotelovernachting hier in Sittard kun je niet bewaren in een magazijn "tot de markt herstelt" en er meer vraag is. Waar iedereen die wel eens last- minute boekt van heeft mogen profiteren.
Als marginale kosten stijgen, stijgt ook de prijs. Worden aardbeien op de veiling duurder of vertrekt de goedkope stageaire, dan zal het goedkoopste terras geen 3 euro meer vragen, maar 3.10, of de aarbeien van de kaart halen. Geld weggeven kan aan leukere zaken dan aan klanten. En het kan zijn dat bij 3 euro er zoveel klanten op de aardbeien afkomen, dat de terassen te klein zijn. Dan moet er worden uitgebreid, nieuwe stoelen gekocht en stijgen de marginale kosten - en dus de prijs. Daarom is het leuker ondernemen in een uitbreidende bedrijfstak dan in een krimpende.

Niet alleen de marginale kosten zijn bepalend voor de prijs die tot stand komt, hoewel dat in de landbouw met zijn structurele overproductie er wel op lijkt. Ook de marginale opbrengsten spelen een rol. Dat zie je het best als er een flink te kort is: als een voetbalwedstrijd is uitverkocht, de aardbeienoogst flink tegenvalt of door de stijgende melkprijs de vraag naar veevoer stijgt. Als er dan niet onmiddelijk product bijgemaakt kan worden, dan maken de aanbieders een leuke prijs. De prijs stijgt dan tot de marginale opbrengsten (of bij een biertje: het marginale grensnut) van de laatste koper voor de laatste kg. De winst voor de aanbieders is een signaal om meer te produceren. En dus geldt in de evenwichtssituatie waarbij niemand een prikkel heeft een grotere hoeveelheid te produceren of af te nemen dat de marginale kosten en de marginale opbrengsten gelijk moeten zijn. In economenjargon, je raadt het al: mo=mk.

En tot slot: de prijs is dus niet wat mensen willen betalen of waartegen ze zouden willen produceren. Na mijn wandeling wilde ik best 3.75 betalen en vond 3.50 dus een echt een koopje. Ik maak een 'winst' van 0.25, dat noemen economen het 'consumentensurplus'. Als de terras- uitbater aan mijn rugzak of vermoeide blik kon zien dat ik wel die 3.75 zou willen betalen, zou hij dat ook kunnen vragen (en krijgen - als hij net zo goed kon onderhandelen als op de markt in Marokko, en daar de tijd voor had). Met duur uitziende rietenstoeltjes en mooie zonneschermen kan hij proberen vooral klanten te trekken die 3.75 willen betalen, als de extra kosten daarvan maar een dubbeltje zouden zijn, maakt hij bij deze "segmentatie" 0.15 winst en trekt hij klanten uit een andere laag van de piramide van Maslow. Het omgekeerde kan ook: je vraagt 3.75 maar geeft groepen die het voor die prijs niet willen kopen (scholen, bejaarden, inwoners van Sittard?) korting.
Op dezelfde wijze bestaat er ook een producentensurplus: als de terrasuitbater met de laagste marginale kosten (3.00) weet dat zijn collega met de een na laagste marginale kosten niet verder in prijs zal dalen dan 3.10, hoeft hij het ook niet voor minder te doen - en steekt een dubbeltje in zijn zak.

Terwijl we genieten van de laatste aardbeien en nog een kopje Max Havelaar koffie bestellen, raken we in een discussie of het niet oneerlijk is dat de prijs tendeert naar de marginale kosten van de goedkoopste aanbieder. Of naar de marginale opbrengsten bij schaarste.. Economen hebben geen mening over eerlijk of fair, die beschrijven wat er gebeurt, of wat ze denken dat er gebeurt. En wat al gebeurde toen Adam Smith de economische wetenschap nog moest uitvinden.
Ze wijzen daarbij wel op de voordelen van dit systeem voor de welvaart. De winst die de goedkoopste aanbieder (tijdelijk) weet te pakken als producentensurplus is een premie op innovatie. Waar geen concurrentie is, is er geen prikkel tot verlaging van de kosten ("aardbeiencoupes nu E 2.95") en nieuwe produkten ("Heden ook aardbeiencoupes met suikervrije slagroom"). Juist die lagere prijzen vergroten het consumentensurplus en de welvaart. Op die manier geven de consumenten signalen af hoe ze de toekomstige productie ingericht willen zien. Liever goedkoper of juist met nieuwe, duurdere varianten.

Na prijsverlaging hou ik bij elke coupe een kwartje in mijn zak van het bedrag dat ik bereid was te betalen, en na enige tijd kan ik er een extra kopen, of sparen voor een extra CD. Dat vergroot de welvaart - of het ons gelukkiger maakt is wat anders. Een kwartje lijkt niet veel, maar de agrarische sector (en ook de rest van de economie) realiseert elk jaar een productiviteitsverbetering van pakweg anderhalf procent. En daar komen dan alle productverbeteringen waarvan we de effecten slecht kunnen meten nog bij, zoals die software die elk jaar weer beter wordt. Anderhalf procent lijkt niet veel, maar als je dat elk jaar doet, is ons inkomen na 47 jaar verdubbeld. Bij twee procent al na 37 jaar. Veel lezers maken dat nog mee. Groei hoeft niet per se, maar het is wel erg makkelijk. En als zoals in veel landen buiten West-Europa en Noord Amerika het inkomen laag is, dan is het zelfs geen pretje als het niet groeit. Bij ons leidt een recessie, een toestand zonder groei, ook tot veel gemor. Groei lijkt de smeerolie in de economische machine.

Tijd om Sittard achter ons te laten. De route gaat weer het platteland op, richting Susteren en naar Pey, Echt. Langzamerhand laten we de Dutch mountains achter ons. De eerste en zwaarste etappes zijn voorbij. Dat geldt ook voor onze eerste stappen op het terrein van de plattelandseconomie. We weten wat de moderne consument wil en hoe consumenten via de markt bepalen wat er op het platteland gebeurt. We weten hoe die markt werkt en dat boeren ook maar ondernemers zijn, die proberen zich staande te houden. En vaak terecht klagen dat de prijzen maar laag zijn, gezien hun vaste kosten. Het is ook duidelijk dat de ene consument de andere niet is, en ook producenten verschillen. De markt stemt dat allemaal op elkaar af, in een plan-economie is die diversiteit en economische ontwikkeling onmogelijk. De markt dwingt tot specialisatie, de enige bron van welvaartscreatie.
En zo komt het dat we steeds grotere boerderijen met steeds lagere marginale kosten in het landschap zien. En steeds minder boeren. Zoals op weg naar Pey, waar er eigenlijk nog te veel zijn.

dinsdag 4 maart 2014

5 Valkenburg - Sittard

Vanuit Valkenburg voert het Pieterpad ons weer de glooiende Limburgse heuvels in. We klimmen vanuit het Geuldal omhoog langs het Ravensbos. Een echt hellingbos met vijvers uit de Romeinse tijd. Het is hier zo stijl dat ontbossing voor de landbouw geen zin had. Bos bleef bos, leverde hout en was jachtterrein. Na het bos komt hoeve Holswick in zicht en dan klimmen we naar het plateau van Spaubeek. Een overwegend kaal landschap met veel bouwland en hier en daar nog wat fruitteelt. We lopen recht op een kasteelhoeve af.

Hier wordt gerst geteeld. De kostprijs van een kg zal zo'n twintig cent zijn, schat ik. Zelfs als ik de boekhouding van de boer zou hebben, is zo'n kostprijs toch moeilijker te berekenen dan veel mensen denken. De kosten voor kunstmest, zaaizaad en bestrijdingsmiddelen zijn vrij gemakkelijk vast te stellen, maar het wordt moeilijker als het om de kosten van machines en gebouwen gaat. Die koop je niet elk jaar en de uitgaven moet je dus over de tijd verdelen. Afschrijven noemen we dat, en daar zijn allerlei formules voor te bedenken die er op neer komen dat je de waarde op de tweedehands markt zo goed mogelijk volgt. Met nieuwe machines ligt de kostprijs dus vaak wat hoger, hoewel er dan minder onderhoudskosten zijn.
Het wordt nog lastiger als de boer meerdere producten teelt met dezelfde machines. Dan zijn niet alle kosten direct aan het product toe te rekenen, maar zijn er ook indirecte kosten. Je kunt dan natuurlijk de kosten per ha verdelen, maar soms is dat niet juist. Als de trekker van 80 pk wordt gekocht met het oog op de bietenoogst, en voor de gerstteelt was 50 pk ook wel genoeg geweest, dan worden de kosten van de laatste dertig pk dus veroorzaakt door de bieten, niet door de gerst. En het wordt nog lastiger bij de kosten van de arbeid en het eigen vermogen van de boer. Het geld dat boer Wijnands in zijn eigen bedrijf steekt is niet gratis. Hij had het ook op de bank kunnen zetten en dan 4% rente gekregen. Er was dus een alternatieve aanwendig mogelijk en daarom rekenen we met alternatieve kosten (opportunity costs) van 4%. Die alternatieve kosten zijn ook kosten: economie is kiezen tussen twee kwaden (of twee goeden) en de opportunity costs geven aan wat je verliest als je het alternatief niet uitvoert. Beter geformuleerd: de opportunity cost van een activiteit is de waarde van alles wat je op moet geven om die activiteit te ondernemen. Hetzelfde geldt voor de arbeid. Boer Wijnands had zich ook tegen CAO- loon bij een loonwerker of bij de gemeenteplantsoenen kunnen gaan werken, al was dat misschien minder leuk geweest.

Met zo'n hele reeks aannames kunnen we de totale kosten bepalen. Soms zijn er dan nog bijproducten als stro, waarvan we de opbrengsten gemakshalve maar aftrekken van de kosten van de gerstteelt, en dan hebben we dus uiteindelijk een schatting van de totale kosten. Als we die dan delen door de normale kg- opbrengsten, bijvoorbeeld een driejaarlijks gemiddelde, dan hebben we wel een schatting van de kostprijs - de totale gemiddelde kosten van een kg gerst.
En nu is het niet te hopen dat boer Wijnands die gebruikt als hij besluit om gerst of bieten te telen. Want dan kan hij behoorlijk de mist ingaan. Een voorbeeld: als van gerst de kostprijs 20 cent per kg is en hij kan een verkoopcontract krijgen voor 22 cent, maakt hij een winst van 2 cent per kg of wel 10%. Stel dat voor bieten de kostprijs 50 euro per ton is, en het contract 53 euro, dan is dat een winstmarge van 6%. Toch zullen boeren in zo'n geval geen gerst telen, ondanks de hogere winstmarge. Want als een ha 6.000 kg brouwgerst oplevert, is dat een winst van 120 euro. En bij 80 ton bieten maakt hij 240 euro winst. Hier moet dus allereerst gerekend worden per ha, want dat is het knelpunt van het bedrijf - dat is op dit moment de meest beperkende factor.

Maar ook de winst per ha, berekend als de verkoopopbrengst minus de totale kosten is een slechte raadgever. Neem voor het gemak een afweging tussen gerst en conservenerwtjes. Stel dat voor erwtjes net als voor gerst de kostprijs ook twee dubbeltjes is, dat voor het gemak er evenveel kg van een ha komen, en dat er een contract wordt aangeboden van 24 cent. Dat levert dus meer winst op per ha, dus erwtjes lijkt een aantrekkelijke keuze.  Maar geen verstandige, als van de kostprijs van conservenerwtjes van 20 cent, er 14 naar de zaaizaadleverancier en de loonwerker gaan en er 6 voor de kosten van de boer zijn: van de opbrengsten blijven er dan 10 cent (6 plus 4 cent winst) bij de boer. Als er bij gerst maar 8 naar variabele kosten en de loonwerker gaan en er 12 cent van de opbrengsten bij de boer blijft als vergoeding voor afschrijvingen en eigen arbeid en kapitaal, dan resteert een marge van van 14 cent (12 cent vergoeding voor kosten, en 2 cent winst). In dit voorbeeld verdien je dus meer aan gerst dan aan erwtjes, omdat je marge er hoger ligt. De vergelijking van de totale kostprijs met de opbrengstprijs zet je mooi op het verkeerde been.
In de jaren tachtig heb ik met collega's daarover nog eens een hele discussie gevoerd, omdat boeren hier de fout mee ingingen. Voor sommige van mijn collega's was dat aanleiding om dit soort cijfers boeren niet meer te verstrekken. Mij ging dat te ver in een land waar drugs en drank wel vrijwel vrij verkrijgbaar zijn. Maar een goede bijsluiter hoort er wel bij. Bij deze.

Dat de kostprijs niet werkt voor zulke beslissingen komt omdat hij zondigt tegen een belangrijk principe uit de bedrijfseconomie: het verleden speelt geen rol in beslissingen voor de toekomst. Wat geweest is, is geweest. Al gemaakte kosten zijn verzonken (sunk costs noemen economen dat). Regel 1 uit de bedrijfseconomie: Voor het nemen van elke beslissing moet men uitgaan van de situatie waarin men verkeert als de beslissing wordt uitgevoerd - hoe men in die situatie terecht gekomen is doet er niet toe.
Denk aan de goudzoeker in Australie die al vijf tochten heeft gemaakt en $ 5.000,- heeft gespendeerd. Als hij moet besluiten nog een zesde keer te gaan, spelen die kosten absoluut geen rol. Wat hij moet afwegen is de kans dat hij een bepaalde hoeveelheid goud vindt en wat de waarde daarvan is tegenover de kosten van de zesde zoektocht. Als hij vrijwel zeker (voor 99%) weet voor $ 3.000,- goud te vinden, en zijn kosten weer $ 1.000,- euro zijn moet hij snel aan zijn tocht beginnen. Het levert $ 2.000,- winst op (en dat hij zo nog iets van zijn eerdere kosten terug krijgt doet niet terzake). Ik leerde die regel ooit met het voorbeeld van de sleepbootkapitein die een gekapseisde boot moet bergen, een no-cure no- pay contract heeft, en zelfs al meer kosten heeft gemaakt dan hij aan opbrengsten zal krijgen als hij in de zevende poging eventueel de boot de haven in weet te slepen. Die kosten tot nu toe zijn geen reden om te stoppen, en ook niet om door te gaan. De enige relevante kosten zijn die in de toekomst.
Het zijn misschien rare voorbeelden hier tussen de gerstvelden tussen Schimmert en Wijnandsrade, maar daarom niet minder belangrijk voor wie het platteland wil begrijpen. Kostprijzen zijn nuttig voor vergelijking tussen bedrijven of gebieden om ontwikkelingen te laten zien, en om op ideeen voor verbeteringen te komen, maar gebruik ze nooit om te besluiten of je met al beschikbaar materiaal, grond en arbeid (de verzonken kosten) een activiteit uitvoert. In zo'n geval telt allen de marge van opbrengst minus variabele kosten die bijdraagt aan de dekking van de vaste kosten: de contributie-marge.

Onze Pieterpad route heeft inmiddels de gerstvelden achter zich gelaten. We passeren de autoweg en lopen via een holle weg, door eeuwen gebruik en erosie uitgesleten, richting Puth. Het is een forse wandeling vandaag, 21 km en Sittard is nog niet in zicht. De warmte maakt het er gevoelsmatig niet minder lastig op als we een aardappelveld met een beregeningsinstallatie passeren. Verderop bespuit een boer zijn tarwe tegen afrijpingsziektes. Ook in economisch opzicht doen we er nog een schepje bovenop.
Het denken in relevante kosten en marges is niet anders dan het denken in marginale kosten: wat zijn de kosten om een klein beetje meer (zeg 1 kg) op korte termijn te produceren. De in het verleden al gemaakte vaste kosten hoef je dan niet mee te rekenen, zo hebben we net gezien. Als een boer zijn koeien twee kilo meer krachtvoer geeft, levert dat ongeveer een kilo meer melk op, althans als hij nu pakweg 8.000 kilo melk per koe per jaar melkt, en voortaan 8.001 wil melken. Bij 8.020 kilo geldt dat ook nog wel, maar niet meer voor 10.000 kilo bij deze zelfde koe. Dat is de wet van de afnemende meeropbrengst: als we hetzelfde aan inputs toevoegen krijgen we niet meer eenzelfde opbrengstverhoging. Het lijkt een beetje op het afnemend grensnut van mijn derde witbierje in Valkenburg- dat leverde ook minder nut op dan het eerste.

Als onze melkveehouder bepaalt hoeveel krachtvoer hij volgende week geeft, zal hij letten op die marginale kosten (wat kost een kilo krachtvoer) en op de marginale opbrengsten (hoeveel meer melk levert het op). Kost krachtvoer 15 cent per kilo en levert een kilo extra een halve liter extra melk op, die 30 cent waard is, dan is volgende week 2 kilo erbij (30 =2 keer 15) dus optimaal. Stijgt de melkprijs of daalt de voerprijs dan gaat de voergift wat omhoog. En zijn de koeien met het warme weer minder productief zodat 1 kilo voer nog maar 0,4 kilo melk oplevert dan moet je niet meer maar minder krachtvoer geven - behalve als je met alle geweld de huidige productie wilt handhaven maar dat is een dure hobby. Het is dan beter de krachtvoergift en de melkproductie wat terug te laten lopen: de laatste kilo krachtvoer levert immers maar 0,4 * 30 = 12 cent op, en kost er 15.
De akkerbouwer met zijn beregeningsinstallatie die we passeren heeft, al of niet met de PC, hopelijk ook zulke berekeningen gemaakt. Als de aardappelen een ton per ha per dag groeien bij optimale omstandigheden en door de droogte verwacht hij dat ze maar een halve ton per dag groeien maar wel 15 cent per kilo zullen opbrengen, dan kan hij zijn marginale opbrengst van een beregening inschatten. Dat mogen dan ook zijn marginale kosten zijn. Het is zo dus mogelijk zijn maximale biedprijs te bepalen voor de onderhandelingen met de loonwerker die het werk doet, of het waterschap dat in de toekomst misschien het water zal verkopen aan de hoogst biedende.

Hetzelfde zie je bij de afrijpingsziekte-bespuiting. Dat gebeurde veel toen in de jaren tachtig de graanprijs nog op omgerekend 25 eurocent lag. Als die zoals een jaar of tien geleden veel lager is, is het vaak niet meer profijtelijk. Nu door toegenomen vraag de prijzen weer zijn gestegen, wordt het weer wel aantrekkelijk en neemt dus ook de opbrengst per ha wat toe.
Het is eigenlijk dan ook vreemd dat er vaak wordt geklaagd dat een prijsverlaging niet mogelijk is, gezien de kostprijs (of dat de productie niet zal stijgen als de prijzen omhoog gaan). Een lagere opbrengstprijs is immers allereerst een signaal aan de ondernemer dat hij de productiemethodes moet aanpassen. De laatste kg voer, de laatste beregening, het spuiten tegen afrijpingsziekte: hun marginale opbrengsten dalen sterk, tot onder de marginale kosten. In de Midwest van Amerika, Australie en Argentinie, telen ze 1 a 2 ton tarwe per ha, tegen wij tien. Ze doen het tegen een wereldmarktprijs van nog geen 10 cent per kg en het kan uit. Hun marginale kosten en opbrengsten en dus hun teelttechniek is een heel andere. Ook vanwege het andere klimaat. Maar daarom zijn het nog geen slechte boeren.

Marginaal denken is een van de meest zinvolle methoden om beslissingen te onderbouwen. Economen zijn dan ook graag 'at the margin'. Het geldt zelfs voor de lange termijn, al zijn dan bijna alle kosten variabel. Dan kun je zelfs woeste gronden ontginnen, land inpolderen en mensen opleiden.

We zijn intussen ook aan de rand van ons land. Rechts is de grens, we slaan linksaf en zien de rand van de stad. De etappe zit erop. We naderen Sittard. Tijd voor een terras. Want nu we weten wat de marginale kosten zijn van boeren en wat consumenten over hebben voor een biertje, kunnen we voorspellen wat de prijs van gerst wordt. Onder een witbiertje - Gulpener Korenwolf of Wieckse Witte.