zondag 27 april 2014

7 Sittard - Pey

Tussen Sittard en Pey lopen we langs kleine en grote bedrijven. Althans dat denken we, maar niet alles is wat het lijkt. We zien kleinere en grotere huizen en schuren op boerenerven. Maar je hoeft zeker in de plantenteelt niet altijd grote gebouwen en zeker niet op een plek te hebben om een miljoenomzet te draaien. En niet iedereen met een grote omzet zet een villa neer.

Grote villa's op boerenerven hebben wel ooit aan rijke boeren met waarschijnlijk grote bedrijven toebehoord, maar sommige daarvan zijn nu weer klein - niet meegegroeit met de tijd. Of zelfs beeindigd en in handen geraakt van particulieren die buiten willen wonen of paarden willen houden. Sommige herken je aan de Amerikaanse witte hekken uit de TV series om de weilanden. Niet dat Nederland net zoveel hout heeft als de VS, maar sommigen blijkbaar wel net zoveel geld.
Het is heel lastig om in het landschap de grote van een bedrijf te herkennen. Traditioneel denken we aan 1 bedrijf op 1 locatie met 1 gezin dat er woont. Door de auto en de tractor is dat in toenemende mate niet meer het geval. Ondernemers kopen niet alleen buurmans grond maar hebben ook bedrijven op een tweede locatie. Soms zelfs in het buitenland, zoals landbouwvoormannen als Cees Veerman en Wien van den Brink ook het publiek duidelijk hebben gemaakt. Boerenbedrijven beginnen op de HEMA of in ieder geval de warme bakkers te lijken: dat zijn al langer bedrijven met meer dan 1 vestiging.

De kwaliteit van het landschap wordt dan ook nauwelijks bepaald door de omvang van de bedrijven. Wel door de omvang van de percelen, begrensd door sloten of bosschages. Die maken een landschap grootschalig of kleinschalig, meer of minder eentonig. Waarbij grootschalig ook nog mooi kan zijn en kleinschalig ook eentonig, maar dat terzijde.
In het verleden zijn er in Nederland veel ruilverkavelingen uitgevoerd om beter met machines uit de voeten te kunnen. In een delta verandert het landschap door de eeuwen heen toch en is het de mens die het landschap maakt en naar zijn hand zet. Een land van water en ingenieurs. Niets logischer dus dan het landschap aan te passen aan de stand van de techniek. Nu missen we het oude landschap met de kromme beken en verspreide bosjes. En er komen ook nadelen aan het licht zoals een wel erg snelle waterafvoer, die tot problemen stroomafwaarts kan leiden. Dus trekken we de ruilverkaveling weer recht en maken beken weer meanderend krom. Rond 1970 zat het tegen met de zware industrie en chemie, zodat bij toeval de Oostvaardersplassen als een nieuwe wildernis in een droogvallende polder konden ontstaan op een plek waar industrie gepland was. Sinds die tijd ontwerpen en realiseren we zelfs natuur. Alsof je natuur kunt plannen en maken: het ingenieursidee is in de delta niet uit te bannen.

De ruilverkaveling heeft schaalvergroting in het landschap dus een slechte naam bezorgd en ten onrechte ook de schaalvergroting van bedrijven in een kwaad daglicht gesteld. Maar het proces gaat gewoon door. Dat komt vooral door de mechanisatie. Elke nieuwe tractor en combine van John Deere is weer groter dan de vorige types. Met als gevolg dat een man geen acht ha graan per dag kan oogsten, maar tien ha. En met het volgende type twaalf ha. Zo gaat de arbeidsproductiviteit, de hoeveelheid producten die een persoon produceert, gestaag omhoog. En daarmee de kostprijs dus omlaag. Er is minder arbeid nodig voor dezelfde productie.
Critici, zoals film- en documentaire makers, willen de welvaartsverhogende schaalvergroting nog wel eens ter disucssie stellen. De film Our Daily Bread toonde zes mensen kruipend over de grond om ijsbergsla voor de Greenery te oogsten, ondersteund door een grote machine zodat ze uit de regen zitten en weinig hoeven te tillen. Wat je nauwelijks als grootschalig mag betitelen ook graast de machine als een monster hele kavels af. Maar het is inderdaad anders dan grootmoeder die de tuin inliep voor een kropje sla. Net zoals we onze meubeltjes van Ikea halen, niet meer van de plaatselijke meubelmaker. Zelf vind ik de beelden van een grote vallei met alleen maar olijvenbomen of zelfs het kassengebied van Almeria of het Westland van bovenaf iets moois hebben. Imposant en geasscocieerd met toenemende welvaart. Maar dat zal wel komen omdat ik in de jaren zestig in de ruimte van het grootschalige Flevoland ben opgegroeid.
De grootschaligheid lijkt hier en daar wel gevolgen te hebben voor de relatie tussen mens en dier. Het op de lopende band smijten van eendagskuikentjes en het in dozen proppen van de volgroeide variant ervan, roept vraagtekens op. Door de grote aantallen dieren zijn dit voor de betrokken medewerkers als vanzelfsprekend objecten met een nummer geworden.

Degenen die de nieuwe techniek als eerste toepassen halen een extra winst, hun premie voor de innovatie, de beloning voor het risico om iets nieuws uit te proberen. Maar erg lang hebben ze daar geen plezier van: hun marginale kosten dalen (ze hebben minder tijd nodig om extra ha graan te telen, de combine hebben ze toch). En zoals we weten uit de wandeling van gisteren: dat betekent nieuw aanbod en dalende prijzen. Uiteindelijk profiteert dus alleen de consument, die minder voor zijn bier en brood betaalt. De Amerikaanse landbouweconoom Willard Cochrane noemde dat het tredmolen-mechanisme. Toen paarden in de landbouw nog niet weggemechaniseerd waren, was dat een aansprekend beeld; tegenwoordig moet je eerst uitleggen dat een tredmolen een apparaat is waarmee paarden in een rondje lopen (de tredmolen) en zo een machine aandrijven. Boeren (en andere ondernemers) denken als de paarden in de tredmolen vooruit te gaan door een stap naar voren te doen, maar ze lopen een rondje ten bate van de consument, en houden zo de economie gaande.

De werkelijkheid is wel ietsje minder somber: ook de boer is consument en geniet door de toegenomen arbeidsproductiviteit van een hoger inkomen. Net als de rest van de maatschappij wordt hij of zij welvarender door de stijging van de arbeidsproductiviteit.
Bedrijven worden dus steeds groter, en er zijn er minder nodig. Kleine bedrijven met een hoge kostprijs verdwijnen. Dat is een proces dat in de landbouw heel langzaam verloopt, veel trager dan bijvoorbeeld in de detailhandel waar kleine kruideniers, slagers, drogisten en snackbars in een hoog tempo zijn vervangen door hun grotere soortgenoten van Albert Heijn, het Kruidvat en McDonalds. Dat komt omdat kleine landbouwbedrijven vaak helemaal niet zo'n hoge kostprijs hebben. En zeker geen hoge marginale kostprijs, de kosten van zaaizaad en kunstmest zijn voor 200 ha granen per ha niet veel lager dan voor 20 ha. Machines en gebouwen zijn op kleine bedrijven vaak ouder en zijn grotendeels afgeschreven. De boer in kwestie is vaak ook ouder, en heeft weinig mogelijkheden om op een alternatieve manier met zijn arbeid inkomen te verwerven. Bij een sollicitatie bij de plantsoenendienst nemen ze liever een jong en sterk talent dan een ouder iemand die niet gewend is in teamverband te werken. De opbrengst in een alternatieve aanwending (de opportunity cost) is dus laag. Bovendien dwingt de geldstroom van het bedrijf ook niet om de zaak te verkopen en te solliciteren: als je niet van plan bent te herinvesteren zijn de opbrengsten die de kosten van de afschrijvingen dekken, beschikbaar als inkomen. Zo eet je wel langzaam je bedrijf op, maar dat kan economisch beter uitpakken dan er vandaag mee ophouden en werkeloos worden.

Voor een potentiele opvolger is de situatie heel anders. Zoon of dochter heeft wel de mogelijkheid om op basis van zijn of haar studie ergens aan de slag te gaan en een inkomen te verwerven. Die arbeid heeft dus een hogere opportunity cost. En daar komt de investering in de bedrijfsovername nog eens bij. Voor haar / hem is het bedrijfje al snel te klein: hij / zij stemt met de voeten en kiest voor wat anders. Op dat moment komt het bedrijf te koop: de grond wordt toegevoegd aan een ander bedrijf, erf en gebouwen gaan naar een particulier (soms de potentiele opvolger) die landelijk kan blijven wonen.

Zulke structurele veranderingen gaan dus langzaam in de landbouw, vooral als overschakelen naar een ander beroep lastig is, bijvoorbeeld ook omdat er weinig werkgelegenheid in de buurt is en de technologische ontwikkeling niet zo schokkend is dat het op de oude manier helemaal niet meer kan. Komt er wel verplicht iets nieuws (bijvoorbeeld omdat de melkbussen door de melktank vervangen worden of de legbatterij verboden wordt) dan is dat vaak een moment waarop oudere boeren en kleine bedrijven echt stoppen. Dat is meer dan een mooi excuus: de investering loont niet meer, de marginale kosten worden te hoog.
De structurele ontwikkelingen in de landbouw gaan dus langzaam. Je kunt je afvragen of dat erg is. Ik vind het eigenlijk wel een redelijk sociaal proces omdat mensen op hun vijftigste niet duurzaam werkeloos worden en nog gewoon mee kunnen draaien. Die garantie zouden veel werknemers in de industrie, zoals in de fabriek van Nedcar hier even verderop in Born, ook wel willen. De consument wordt niet veel benadeeld want de marktprijzen liggen er niet hoger door - die worden bepaald door de grote jongens met de lage marginale kosten. Bovendien hebben die het overgrote deel van de productie in handen - vaak geldt een 20/80 regel: 20% van de boeren levert 80% van ons voedsel.

Wel is de arbeidsmarkt er wat krapper door: de plantsoenendienst heeft minder sollicitanten om uit te kiezen. De slechte bedrijfsstructuur met veel te kleine bedrijven heeft in de akkerbouw ook niet al te veel invloed op de productie, het maakt niet zoveel uit of de ha graan nu door een klein bedrijf of zijn grote buurman geteeld wordt. Toch is er wel een effect: kleine bedrijven hebben immers arbeid over en zullen dus andere, intensievere gewassen (zoals uien of aardappelen) telen dan de grotere. Ook in de veehouderij en tuinbouw zou vermoedelijk wel wat eerder prijsherstel na overproductie optreden als bedrijven met een hoge kostprijs ook echt het veld zouden ruimen. Lage prijzen leiden in de landbouw dus op korte termijn maar tot geringe aanpassing van het aanbod, wat overigens niet ongebruikelijk is in markten waar de productie hoge vaste kosten kent. Sommige amerikaanse vliegmaatschappijen (ook een business met hoge vaste kosten) vliegen onlangs lage prijzen ook maar door en zijn constant in surseance van betaling. En Shell stopt ook niet bij een olieprijs van $ 10.-, zoals iwe die n de jaren negentig kenden.

Verder is een gevolg van dit mechanisme wel dat de kleine bedrijven langdurig geplaagd worden door lage inkomens, zeker als je de kosten voor machines, gebouwen en arbeid hoog vast stelt - bijvoorbeeld op CAO-loon. Dan zijn die bedrijven sterk verliesgevend. De allerkleinste bedrijven zijn vaak nevenbedrijven, waarbij een van de partners (of beide) nog een andere activiteit heeft. Eigenlijk zijn dat geen boeren met een inkomen van buiten bedrijf maar vrachtautochauffeurs met wat agrarisch inkomen of verpleegsters met een partner die part-time boer is. Daar valt het met de totale inkomens vaak wel mee, bovendien is er vaak nog vermogen en de ondernemer heeft zich al lang neergelegd bij de gedachte dat er ingeteerd mag worden omdat er geen opvolger zal zijn. Maar op de bedrijven in het midden van het spectrum, die hopen in de tredmolen van de technologische vooruitgang overeind te blijven, is het vaak sappelen: het bedrijf vraagt om investeringen, de arbeidsproductiviteit is aan de lage kant, er is geen tijd voor inkomen van buiten bedrijf en je moet dus de vaardigheid (of het geluk) hebben van hele goede opbrengsten om bij te blijven. Slechts een enkeling lukt het om ook nog te groeien.

Zolang er nieuwe en grotere machines worden ontwikkeld gaat dat proces dus gewoon door. Zelfs als je het stop zou kunnen zetten, duurt het nog jaren voor het proces dat nu loopt, is uitgewerkt. Als het gemiddelde bedrijf langs het Pieterpad nu 50 koeien heeft, en 100 zou optimaal zijn (in werkelijkheid leert Oost Duitsland dat 750 misschien nog wel optimaler is, in ieder geval zijn er Deens berekeningen die wijzen op 300 als efficient), en we zouden Nederland net als indertijd de IJsslemeerpolders morgen even optimaal kunnen inrichten, dan kan de helft van de bedrijven worden beeindigd. Via natuurlijk verloop duurt dat nog jaren, en als we zover zijn is de tredmolen van de techniek al weer verder.

Herstructurering gaat dus nog wel even door. Ik denk dat de informatietechnologie en de robotisering ook nog grote effecten gaan geven. Net zoals die in de autofabriek in Born het productieproces sterk veranderd hebben. Er is geen goede reden waarom je tractoren met de huidige technologie niet onbemand zou kunnen laten rijden. De technologie daarvoor komt uit het leger langzamerhand beschikbaar. In Amerika worden daar al praktijkproeven mee gedaan. Er wordt in navolging van een trio biologische boeren ook ge-experimenteerd met rijpaden, waar machines vaste banen volgen (en de grond niet meer vast klinken) zodat ze zwaarder maar op termijn ook onbemand kunnen zijn. En waarom eigenlijk grote machines: universiteiten houden wedstrijdjes met kleine robots die om de maisplanten heen rijden. Ze zijn nog te duur en niet goed genoeg om er 25 in een veld los te laten (en ik zie de science fiction films al voor me), maar wie weet.
Een tweede reden waarom de vermindering van het aantal bedrijven zeker niet minder wordt, is specialisatie binnen de bedrijven in management en uitvoerend werk. Mijn vader begon ooit als bedrijfsleider in de jaren vijftig op pakweg 50 ha met misschien wel vijf man personeel. In de jaren zeventig bleef hij op zijn eigen bedrijf van 45 ha alleen over. En daar deed hij zowel management als alle uitvoerende werk. Hij was voor zijn tijd goed opgeleid (en ex-voorlichter), maar de huidige generatie heeft minimaal middelbare landbouwschool, vaak hoger beroepsonderwijs en soms de universiteit. Dat zijn dure opleidingen om uren in de melkput te staan of de hele dag trekker te rijden, ook al moet je daarvoor misschien wat meer hebben dan een tractorrijbewijs - maar zeker geen studie bedrijfskunde. Tegelijkertijd komt er op de arbeidsmarkt goedkope arbeid beschikbaar: in Amerika de Mexicanen, hier de Oost-Europeanen (en in het Westland al jaren allochtone medewerkers en soms illegalen). Net als indertijd bij de plantages in de tropen is dan specialisatie tussen management en uitvoerende arbeid mogelijk. In Oost-Duitsland en centraal Europa zie je Nederlandse ondernemers op die manier grote bedrijven runnen.

Ooit zal dit proces wel een keer stoppen, maar waar is niet te voorspellen. Als bedrijven groot zijn, neemt de kostprijs niet meer af. Hij kan zelfs toenemen door coordinatiekosten. In veel bedrijfstakken blijven er uiteindelijk maar een klein aantal spelers over, zelfs zo weinig dat mededingingsautoriteiten als de NMA op het laatst fusies moeten verbieden omdat ze schadelijk zijn voor de welvaart. De grote bedrijven hebben graag het grootste marktaandeel. Nummer 1 en 2 verdienen nog wat, drie speelt misschien quite, daarna wordt het lastig tenzij je je op een deelmarkt weet staande te houden. Voor alle andere bedrijfstakken vinden we dat niet erg, of we zegggen wel dat we het erg vinden dat de snackbar en de slager verdwijnen maar we gaan toch naar McDonalds en Albert Heijn. Er is geen reden daar voor de landbouw anders tegen aan te kijken.

Komende jaren zal ook de arbeidsmarkt zich doen gelden. Jonge mensen stemmen vooral met de voeten en nemen een bedrijf niet over als ze elders in de economie een leuke baan met een goed inkomen vinden. In een aantal gevallen is de keuze voor het onzekere ondernemerschap op het ouderlijk bedrijf toch een negatieve vanwege gebrek aan alternatieven. Door de vergrijzing en de op termijn hopelijk weer goed draaiende economie lijkt dat minder nodig. Boeren zijn gemiddeld altijd ouder dan 50 jaar geweest met het pensioen in zicht. Ik denk dat komende jaren er relatief meer dan in het verleden geen opvolger zullen hebben. Dat is niet erg, het is zelfs gunstig voor onze welvaart en schept kansen voor (jonge) ondernemers die wel in de landbouw aan de slag gaan. En de Pieterpad wandelaar zal er weinig van merken want het landschap zal er niet veel van veranderen, of het moet een toenemend aantal witte paardenhekken zijn.

zaterdag 29 maart 2014

6 Sittard

Sittard is een gezellig stadje, oud en overzichtelijk klein, met leuke terassen. We nemen plaats op een terras op de Markt bij de St. Michielskerk. Ik was van plan een witbiertje te bestellen, maar om vraag en aanbod uit te leggen kan ik beter een portie aardbeien met slagroom nemen. Daar is het bovendien het seizoen voor, en een portie kost maar euro 3,50, wat mij betreft een koopje.
Nu weet elke lezer vermoedelijk wel hoe vraag en aanbod werken, en dat het een belangrijk onderwerp in de economie is. De Nobelprijswinnaar Paul Samuelson grapte al eens dat je er weer een econoom bij hebt als je een papegaai de woorden vraag en aanbod leert. Wat minder mensen beseffen is dat de markt er toe leidt dat alleen de marginale kosten in de prijs worden vergoed. Leuk voor ons consumenten, sneu voor de meeste boeren en andere producenten.

Stel dat de ondernemer die het terras hier even verderop exploiteert, inschat dat zijn marginale kosten voor een coupe aardbeien maar drie euro is (omdat hij een goedkope stageiare heeft of een adresje bij een boer waar hij goedkoop die verse aardbeien haalt), dan is het voor hem aantrekkelijk om ze voor bijvoorbeeld euro 3,25 aan te bieden en lekker een kwartje winst te maken. Dat trekt misschien klanten weg van het terras waar ik nu zit en er zijn ook nieuwe klanten; mensen die 3.50 te duur vondenen dan liever bij de cafetaria aan de overkant een Magnum nemen, maar die nu switchen. Substitutie (van ijs door aardbeien) noemen economen dat. Bij 3.25 worden er dus meer aardbeien verkocht dan bij 3.50.

Als er iets verderop aan de Markt in Sittard nog een derde terras is, en als dat ook een marginale kostprijs heeft van 3.00 euro, zal die de neiging hebben tot de markt van aardbeiencoupes toe te treden en 3.10 of zelfs nog iets lager te gaan zitten. Op "mijn" terras zijn er dan zoveel mensen die switchen naar de andere terassen ("laten we die maar nemen, die ziet er ook leuk uit en de aardbeien zijn hier goedkoop"), dat deze ondernemer gedwongen is zijn prijs te verlagen. Of er mee op te houden. Dankzij de concurrentie neigt de prijs dus naar 3.00, de prijs waarvoor iemand nog net wil aanbieden - zijn marginale kosten. En de uitbater van het terras waar ik 3.50 euro betaalde zal zijn prijs en zijn kosten moeten verlagen, anders maakt hij fors verlies en dat hou je misschien wel lang, maar niet eeuwig vol. Tenzij hij klanten blijft trekken die 3.50 willen betalen omdat hij ook een mooi uitzicht op de St Michielskerk of het landschap biedt, of het eerste terras langs de route is waar uitgeputte mensen als ik neerploffen.
Om concurrentie te laten werken hoeft overigens lang niet iedereen prijsgevoelig te zijn. Als de groep die van terras wil switchen maar groot genoeg is om veel lege stoelen te veroorzaken.

Natuurlijk, - en niet uit te sluiten is dat dit in een dorp of stadje ook gebeurt -  zouden de terrasexploitanten kunnen afspreken de prijs gewoon allemaal op 3.50 te zetten en zo de concurrentie te beperken. Dat mag niet, want dat is slecht voor de consumenten en hun welvaart. De Mededingings Autoriteit ziet daar op toe, maar op kleinere schaal is het lastig te controleren. En op grotere schaal soms ook, zo leerden we uit de bouwfraude. Vooral de uitbater met de marginale kostprijs van 3.50 heeft daar natuurlijk veel belang bij, maar ook de anderen krijgen bij 3.00 alleen hun marginale kosten vergoed, niet hun totale kosten. Samenspanning, kartelvorming ligt al snel op de loer. Behalve als er miljoenen aanbieders zijn (zoals bij boeren): daar is de kartelvorming maar lastig te organiseren, hoewel er door de jaren heen door "vakbonden" steeds weer pogingen ondernomen worden.

Bij aardbeientelers en boeren werkt de concurrentie net zo als op de Sittardse terrassen. Alleen neemt het wat meer tijd in beslag: de restaurants kunnen morgen aardbeien inkopen en op de kaart zetten, maar een aardbeienteler of aardappelteler kan meestal pas volgend seizoen de productie uitbreiden met een extra oppervlakte. De melkveehouder kan misschien met wat meer voer op korte termijn de productie nog een paar procent opkrikken (wat overigens genoeg is voor een forse prijsdruk), slachtkuikens zijn in zes weken slachtrijp, maar bij aardappelen duurt het een jaartje (hoewel er bij sommige producten ook concurrentie is van het zuidelijk halfrond waar onze winter hun [oogst]zomer is).

Het vervelende van de landbouw is dat het een bedrijfstak is met relatief veel vaste kosten en lage marginale kosten. Wie al tien ha uien teelt kan volgend jaar met bestaande machines heel goedkoop ook elf ha uien telen. Bij rundvlees en granen zijn er heel extensieve productiesystemen (bijvoorbeeld in de VS en Argentinie) waar je voor weinig kosten de productie kunt vergroten. Die lage marginale kosten bepalen de marktpriijs. Door de goede productieomstandigheden hebben ook veel Nederlandse boeren en tuinders internationaal gezien een vrij lage kostprijs, maar wie dat niet heeft heeft hetzelfde probleem als de terrasuitbater met een kostprijs van 3.50. Die krijgt het signaal: Verzin een list, verlaag je kosten of ga wat anders verkopen.
Zo zijn vraag en aanbod altijd op zoek naar een evenwicht. Komt er een lage kostenaanbieder bij, of ontstaat er meer vraag en kunnen aanbieders met een wat hogere kostprijs ook een boterham verdienen op de markt, dan is er even een verstoring, maar zoeken aanbieders en vragers op natuurlijke wijze weer naar een nieuwe evenwichtssituatie: de prijs en hoeveelheid waarbij prijs en verhandelde hoeveelheid stabiel zijn. Dat evenwicht is een ideaalbeeld uit het theorieboek en wordt maar zelden echt bereikt - voor het zover is, gebeurt er weer wat dat de markt beinvloedt. Maar het denken in een beweging naar evenwicht is een van de belangrijkste inzichten van de economie. En ook praktisch: als je weet waar je nu bent, waar het evenwicht is en hoe de markt zich daar naar toe beweegt kun je snel miljonair zijn.

Overigens is de landbouw niet uniek in de situatie van een lage marginale kostprijs en hoge vaste kosten. En het is al helemaal geen reden om het marktmechanisme buiten werking te stellen. Software is het meest extreme voorbeeld: er zijn nauwelijks kosten gemoeid met het maken van een extra kopie van Microsoft's Word of van Halo3. Geen wonder dat Microsoft liever geen concurrenten ziet en er belang bij heeft dat het niet te simpel lijkt om om te schakelen naar Apple of Linux. De recreatie is een ander voorbeeld: een lege vliegtuigstoel of een hotelovernachting hier in Sittard kun je niet bewaren in een magazijn "tot de markt herstelt" en er meer vraag is. Waar iedereen die wel eens last- minute boekt van heeft mogen profiteren.
Als marginale kosten stijgen, stijgt ook de prijs. Worden aardbeien op de veiling duurder of vertrekt de goedkope stageaire, dan zal het goedkoopste terras geen 3 euro meer vragen, maar 3.10, of de aarbeien van de kaart halen. Geld weggeven kan aan leukere zaken dan aan klanten. En het kan zijn dat bij 3 euro er zoveel klanten op de aardbeien afkomen, dat de terassen te klein zijn. Dan moet er worden uitgebreid, nieuwe stoelen gekocht en stijgen de marginale kosten - en dus de prijs. Daarom is het leuker ondernemen in een uitbreidende bedrijfstak dan in een krimpende.

Niet alleen de marginale kosten zijn bepalend voor de prijs die tot stand komt, hoewel dat in de landbouw met zijn structurele overproductie er wel op lijkt. Ook de marginale opbrengsten spelen een rol. Dat zie je het best als er een flink te kort is: als een voetbalwedstrijd is uitverkocht, de aardbeienoogst flink tegenvalt of door de stijgende melkprijs de vraag naar veevoer stijgt. Als er dan niet onmiddelijk product bijgemaakt kan worden, dan maken de aanbieders een leuke prijs. De prijs stijgt dan tot de marginale opbrengsten (of bij een biertje: het marginale grensnut) van de laatste koper voor de laatste kg. De winst voor de aanbieders is een signaal om meer te produceren. En dus geldt in de evenwichtssituatie waarbij niemand een prikkel heeft een grotere hoeveelheid te produceren of af te nemen dat de marginale kosten en de marginale opbrengsten gelijk moeten zijn. In economenjargon, je raadt het al: mo=mk.

En tot slot: de prijs is dus niet wat mensen willen betalen of waartegen ze zouden willen produceren. Na mijn wandeling wilde ik best 3.75 betalen en vond 3.50 dus een echt een koopje. Ik maak een 'winst' van 0.25, dat noemen economen het 'consumentensurplus'. Als de terras- uitbater aan mijn rugzak of vermoeide blik kon zien dat ik wel die 3.75 zou willen betalen, zou hij dat ook kunnen vragen (en krijgen - als hij net zo goed kon onderhandelen als op de markt in Marokko, en daar de tijd voor had). Met duur uitziende rietenstoeltjes en mooie zonneschermen kan hij proberen vooral klanten te trekken die 3.75 willen betalen, als de extra kosten daarvan maar een dubbeltje zouden zijn, maakt hij bij deze "segmentatie" 0.15 winst en trekt hij klanten uit een andere laag van de piramide van Maslow. Het omgekeerde kan ook: je vraagt 3.75 maar geeft groepen die het voor die prijs niet willen kopen (scholen, bejaarden, inwoners van Sittard?) korting.
Op dezelfde wijze bestaat er ook een producentensurplus: als de terrasuitbater met de laagste marginale kosten (3.00) weet dat zijn collega met de een na laagste marginale kosten niet verder in prijs zal dalen dan 3.10, hoeft hij het ook niet voor minder te doen - en steekt een dubbeltje in zijn zak.

Terwijl we genieten van de laatste aardbeien en nog een kopje Max Havelaar koffie bestellen, raken we in een discussie of het niet oneerlijk is dat de prijs tendeert naar de marginale kosten van de goedkoopste aanbieder. Of naar de marginale opbrengsten bij schaarste.. Economen hebben geen mening over eerlijk of fair, die beschrijven wat er gebeurt, of wat ze denken dat er gebeurt. En wat al gebeurde toen Adam Smith de economische wetenschap nog moest uitvinden.
Ze wijzen daarbij wel op de voordelen van dit systeem voor de welvaart. De winst die de goedkoopste aanbieder (tijdelijk) weet te pakken als producentensurplus is een premie op innovatie. Waar geen concurrentie is, is er geen prikkel tot verlaging van de kosten ("aardbeiencoupes nu E 2.95") en nieuwe produkten ("Heden ook aardbeiencoupes met suikervrije slagroom"). Juist die lagere prijzen vergroten het consumentensurplus en de welvaart. Op die manier geven de consumenten signalen af hoe ze de toekomstige productie ingericht willen zien. Liever goedkoper of juist met nieuwe, duurdere varianten.

Na prijsverlaging hou ik bij elke coupe een kwartje in mijn zak van het bedrag dat ik bereid was te betalen, en na enige tijd kan ik er een extra kopen, of sparen voor een extra CD. Dat vergroot de welvaart - of het ons gelukkiger maakt is wat anders. Een kwartje lijkt niet veel, maar de agrarische sector (en ook de rest van de economie) realiseert elk jaar een productiviteitsverbetering van pakweg anderhalf procent. En daar komen dan alle productverbeteringen waarvan we de effecten slecht kunnen meten nog bij, zoals die software die elk jaar weer beter wordt. Anderhalf procent lijkt niet veel, maar als je dat elk jaar doet, is ons inkomen na 47 jaar verdubbeld. Bij twee procent al na 37 jaar. Veel lezers maken dat nog mee. Groei hoeft niet per se, maar het is wel erg makkelijk. En als zoals in veel landen buiten West-Europa en Noord Amerika het inkomen laag is, dan is het zelfs geen pretje als het niet groeit. Bij ons leidt een recessie, een toestand zonder groei, ook tot veel gemor. Groei lijkt de smeerolie in de economische machine.

Tijd om Sittard achter ons te laten. De route gaat weer het platteland op, richting Susteren en naar Pey, Echt. Langzamerhand laten we de Dutch mountains achter ons. De eerste en zwaarste etappes zijn voorbij. Dat geldt ook voor onze eerste stappen op het terrein van de plattelandseconomie. We weten wat de moderne consument wil en hoe consumenten via de markt bepalen wat er op het platteland gebeurt. We weten hoe die markt werkt en dat boeren ook maar ondernemers zijn, die proberen zich staande te houden. En vaak terecht klagen dat de prijzen maar laag zijn, gezien hun vaste kosten. Het is ook duidelijk dat de ene consument de andere niet is, en ook producenten verschillen. De markt stemt dat allemaal op elkaar af, in een plan-economie is die diversiteit en economische ontwikkeling onmogelijk. De markt dwingt tot specialisatie, de enige bron van welvaartscreatie.
En zo komt het dat we steeds grotere boerderijen met steeds lagere marginale kosten in het landschap zien. En steeds minder boeren. Zoals op weg naar Pey, waar er eigenlijk nog te veel zijn.

dinsdag 4 maart 2014

5 Valkenburg - Sittard

Vanuit Valkenburg voert het Pieterpad ons weer de glooiende Limburgse heuvels in. We klimmen vanuit het Geuldal omhoog langs het Ravensbos. Een echt hellingbos met vijvers uit de Romeinse tijd. Het is hier zo stijl dat ontbossing voor de landbouw geen zin had. Bos bleef bos, leverde hout en was jachtterrein. Na het bos komt hoeve Holswick in zicht en dan klimmen we naar het plateau van Spaubeek. Een overwegend kaal landschap met veel bouwland en hier en daar nog wat fruitteelt. We lopen recht op een kasteelhoeve af.

Hier wordt gerst geteeld. De kostprijs van een kg zal zo'n twintig cent zijn, schat ik. Zelfs als ik de boekhouding van de boer zou hebben, is zo'n kostprijs toch moeilijker te berekenen dan veel mensen denken. De kosten voor kunstmest, zaaizaad en bestrijdingsmiddelen zijn vrij gemakkelijk vast te stellen, maar het wordt moeilijker als het om de kosten van machines en gebouwen gaat. Die koop je niet elk jaar en de uitgaven moet je dus over de tijd verdelen. Afschrijven noemen we dat, en daar zijn allerlei formules voor te bedenken die er op neer komen dat je de waarde op de tweedehands markt zo goed mogelijk volgt. Met nieuwe machines ligt de kostprijs dus vaak wat hoger, hoewel er dan minder onderhoudskosten zijn.
Het wordt nog lastiger als de boer meerdere producten teelt met dezelfde machines. Dan zijn niet alle kosten direct aan het product toe te rekenen, maar zijn er ook indirecte kosten. Je kunt dan natuurlijk de kosten per ha verdelen, maar soms is dat niet juist. Als de trekker van 80 pk wordt gekocht met het oog op de bietenoogst, en voor de gerstteelt was 50 pk ook wel genoeg geweest, dan worden de kosten van de laatste dertig pk dus veroorzaakt door de bieten, niet door de gerst. En het wordt nog lastiger bij de kosten van de arbeid en het eigen vermogen van de boer. Het geld dat boer Wijnands in zijn eigen bedrijf steekt is niet gratis. Hij had het ook op de bank kunnen zetten en dan 4% rente gekregen. Er was dus een alternatieve aanwendig mogelijk en daarom rekenen we met alternatieve kosten (opportunity costs) van 4%. Die alternatieve kosten zijn ook kosten: economie is kiezen tussen twee kwaden (of twee goeden) en de opportunity costs geven aan wat je verliest als je het alternatief niet uitvoert. Beter geformuleerd: de opportunity cost van een activiteit is de waarde van alles wat je op moet geven om die activiteit te ondernemen. Hetzelfde geldt voor de arbeid. Boer Wijnands had zich ook tegen CAO- loon bij een loonwerker of bij de gemeenteplantsoenen kunnen gaan werken, al was dat misschien minder leuk geweest.

Met zo'n hele reeks aannames kunnen we de totale kosten bepalen. Soms zijn er dan nog bijproducten als stro, waarvan we de opbrengsten gemakshalve maar aftrekken van de kosten van de gerstteelt, en dan hebben we dus uiteindelijk een schatting van de totale kosten. Als we die dan delen door de normale kg- opbrengsten, bijvoorbeeld een driejaarlijks gemiddelde, dan hebben we wel een schatting van de kostprijs - de totale gemiddelde kosten van een kg gerst.
En nu is het niet te hopen dat boer Wijnands die gebruikt als hij besluit om gerst of bieten te telen. Want dan kan hij behoorlijk de mist ingaan. Een voorbeeld: als van gerst de kostprijs 20 cent per kg is en hij kan een verkoopcontract krijgen voor 22 cent, maakt hij een winst van 2 cent per kg of wel 10%. Stel dat voor bieten de kostprijs 50 euro per ton is, en het contract 53 euro, dan is dat een winstmarge van 6%. Toch zullen boeren in zo'n geval geen gerst telen, ondanks de hogere winstmarge. Want als een ha 6.000 kg brouwgerst oplevert, is dat een winst van 120 euro. En bij 80 ton bieten maakt hij 240 euro winst. Hier moet dus allereerst gerekend worden per ha, want dat is het knelpunt van het bedrijf - dat is op dit moment de meest beperkende factor.

Maar ook de winst per ha, berekend als de verkoopopbrengst minus de totale kosten is een slechte raadgever. Neem voor het gemak een afweging tussen gerst en conservenerwtjes. Stel dat voor erwtjes net als voor gerst de kostprijs ook twee dubbeltjes is, dat voor het gemak er evenveel kg van een ha komen, en dat er een contract wordt aangeboden van 24 cent. Dat levert dus meer winst op per ha, dus erwtjes lijkt een aantrekkelijke keuze.  Maar geen verstandige, als van de kostprijs van conservenerwtjes van 20 cent, er 14 naar de zaaizaadleverancier en de loonwerker gaan en er 6 voor de kosten van de boer zijn: van de opbrengsten blijven er dan 10 cent (6 plus 4 cent winst) bij de boer. Als er bij gerst maar 8 naar variabele kosten en de loonwerker gaan en er 12 cent van de opbrengsten bij de boer blijft als vergoeding voor afschrijvingen en eigen arbeid en kapitaal, dan resteert een marge van van 14 cent (12 cent vergoeding voor kosten, en 2 cent winst). In dit voorbeeld verdien je dus meer aan gerst dan aan erwtjes, omdat je marge er hoger ligt. De vergelijking van de totale kostprijs met de opbrengstprijs zet je mooi op het verkeerde been.
In de jaren tachtig heb ik met collega's daarover nog eens een hele discussie gevoerd, omdat boeren hier de fout mee ingingen. Voor sommige van mijn collega's was dat aanleiding om dit soort cijfers boeren niet meer te verstrekken. Mij ging dat te ver in een land waar drugs en drank wel vrijwel vrij verkrijgbaar zijn. Maar een goede bijsluiter hoort er wel bij. Bij deze.

Dat de kostprijs niet werkt voor zulke beslissingen komt omdat hij zondigt tegen een belangrijk principe uit de bedrijfseconomie: het verleden speelt geen rol in beslissingen voor de toekomst. Wat geweest is, is geweest. Al gemaakte kosten zijn verzonken (sunk costs noemen economen dat). Regel 1 uit de bedrijfseconomie: Voor het nemen van elke beslissing moet men uitgaan van de situatie waarin men verkeert als de beslissing wordt uitgevoerd - hoe men in die situatie terecht gekomen is doet er niet toe.
Denk aan de goudzoeker in Australie die al vijf tochten heeft gemaakt en $ 5.000,- heeft gespendeerd. Als hij moet besluiten nog een zesde keer te gaan, spelen die kosten absoluut geen rol. Wat hij moet afwegen is de kans dat hij een bepaalde hoeveelheid goud vindt en wat de waarde daarvan is tegenover de kosten van de zesde zoektocht. Als hij vrijwel zeker (voor 99%) weet voor $ 3.000,- goud te vinden, en zijn kosten weer $ 1.000,- euro zijn moet hij snel aan zijn tocht beginnen. Het levert $ 2.000,- winst op (en dat hij zo nog iets van zijn eerdere kosten terug krijgt doet niet terzake). Ik leerde die regel ooit met het voorbeeld van de sleepbootkapitein die een gekapseisde boot moet bergen, een no-cure no- pay contract heeft, en zelfs al meer kosten heeft gemaakt dan hij aan opbrengsten zal krijgen als hij in de zevende poging eventueel de boot de haven in weet te slepen. Die kosten tot nu toe zijn geen reden om te stoppen, en ook niet om door te gaan. De enige relevante kosten zijn die in de toekomst.
Het zijn misschien rare voorbeelden hier tussen de gerstvelden tussen Schimmert en Wijnandsrade, maar daarom niet minder belangrijk voor wie het platteland wil begrijpen. Kostprijzen zijn nuttig voor vergelijking tussen bedrijven of gebieden om ontwikkelingen te laten zien, en om op ideeen voor verbeteringen te komen, maar gebruik ze nooit om te besluiten of je met al beschikbaar materiaal, grond en arbeid (de verzonken kosten) een activiteit uitvoert. In zo'n geval telt allen de marge van opbrengst minus variabele kosten die bijdraagt aan de dekking van de vaste kosten: de contributie-marge.

Onze Pieterpad route heeft inmiddels de gerstvelden achter zich gelaten. We passeren de autoweg en lopen via een holle weg, door eeuwen gebruik en erosie uitgesleten, richting Puth. Het is een forse wandeling vandaag, 21 km en Sittard is nog niet in zicht. De warmte maakt het er gevoelsmatig niet minder lastig op als we een aardappelveld met een beregeningsinstallatie passeren. Verderop bespuit een boer zijn tarwe tegen afrijpingsziektes. Ook in economisch opzicht doen we er nog een schepje bovenop.
Het denken in relevante kosten en marges is niet anders dan het denken in marginale kosten: wat zijn de kosten om een klein beetje meer (zeg 1 kg) op korte termijn te produceren. De in het verleden al gemaakte vaste kosten hoef je dan niet mee te rekenen, zo hebben we net gezien. Als een boer zijn koeien twee kilo meer krachtvoer geeft, levert dat ongeveer een kilo meer melk op, althans als hij nu pakweg 8.000 kilo melk per koe per jaar melkt, en voortaan 8.001 wil melken. Bij 8.020 kilo geldt dat ook nog wel, maar niet meer voor 10.000 kilo bij deze zelfde koe. Dat is de wet van de afnemende meeropbrengst: als we hetzelfde aan inputs toevoegen krijgen we niet meer eenzelfde opbrengstverhoging. Het lijkt een beetje op het afnemend grensnut van mijn derde witbierje in Valkenburg- dat leverde ook minder nut op dan het eerste.

Als onze melkveehouder bepaalt hoeveel krachtvoer hij volgende week geeft, zal hij letten op die marginale kosten (wat kost een kilo krachtvoer) en op de marginale opbrengsten (hoeveel meer melk levert het op). Kost krachtvoer 15 cent per kilo en levert een kilo extra een halve liter extra melk op, die 30 cent waard is, dan is volgende week 2 kilo erbij (30 =2 keer 15) dus optimaal. Stijgt de melkprijs of daalt de voerprijs dan gaat de voergift wat omhoog. En zijn de koeien met het warme weer minder productief zodat 1 kilo voer nog maar 0,4 kilo melk oplevert dan moet je niet meer maar minder krachtvoer geven - behalve als je met alle geweld de huidige productie wilt handhaven maar dat is een dure hobby. Het is dan beter de krachtvoergift en de melkproductie wat terug te laten lopen: de laatste kilo krachtvoer levert immers maar 0,4 * 30 = 12 cent op, en kost er 15.
De akkerbouwer met zijn beregeningsinstallatie die we passeren heeft, al of niet met de PC, hopelijk ook zulke berekeningen gemaakt. Als de aardappelen een ton per ha per dag groeien bij optimale omstandigheden en door de droogte verwacht hij dat ze maar een halve ton per dag groeien maar wel 15 cent per kilo zullen opbrengen, dan kan hij zijn marginale opbrengst van een beregening inschatten. Dat mogen dan ook zijn marginale kosten zijn. Het is zo dus mogelijk zijn maximale biedprijs te bepalen voor de onderhandelingen met de loonwerker die het werk doet, of het waterschap dat in de toekomst misschien het water zal verkopen aan de hoogst biedende.

Hetzelfde zie je bij de afrijpingsziekte-bespuiting. Dat gebeurde veel toen in de jaren tachtig de graanprijs nog op omgerekend 25 eurocent lag. Als die zoals een jaar of tien geleden veel lager is, is het vaak niet meer profijtelijk. Nu door toegenomen vraag de prijzen weer zijn gestegen, wordt het weer wel aantrekkelijk en neemt dus ook de opbrengst per ha wat toe.
Het is eigenlijk dan ook vreemd dat er vaak wordt geklaagd dat een prijsverlaging niet mogelijk is, gezien de kostprijs (of dat de productie niet zal stijgen als de prijzen omhoog gaan). Een lagere opbrengstprijs is immers allereerst een signaal aan de ondernemer dat hij de productiemethodes moet aanpassen. De laatste kg voer, de laatste beregening, het spuiten tegen afrijpingsziekte: hun marginale opbrengsten dalen sterk, tot onder de marginale kosten. In de Midwest van Amerika, Australie en Argentinie, telen ze 1 a 2 ton tarwe per ha, tegen wij tien. Ze doen het tegen een wereldmarktprijs van nog geen 10 cent per kg en het kan uit. Hun marginale kosten en opbrengsten en dus hun teelttechniek is een heel andere. Ook vanwege het andere klimaat. Maar daarom zijn het nog geen slechte boeren.

Marginaal denken is een van de meest zinvolle methoden om beslissingen te onderbouwen. Economen zijn dan ook graag 'at the margin'. Het geldt zelfs voor de lange termijn, al zijn dan bijna alle kosten variabel. Dan kun je zelfs woeste gronden ontginnen, land inpolderen en mensen opleiden.

We zijn intussen ook aan de rand van ons land. Rechts is de grens, we slaan linksaf en zien de rand van de stad. De etappe zit erop. We naderen Sittard. Tijd voor een terras. Want nu we weten wat de marginale kosten zijn van boeren en wat consumenten over hebben voor een biertje, kunnen we voorspellen wat de prijs van gerst wordt. Onder een witbiertje - Gulpener Korenwolf of Wieckse Witte.

zaterdag 15 februari 2014

4 Valkenburg

Min of meer langs de Geul wandelen we het centrum van Valkenburg binnen. Halverwege de 19e eeuw ontwikkelde het stadje zich dankzij de spoorlijn tot exotisch vakantieoord in eigen land. Centraal tussen de heuvels en met een buitenlandse taal. Toen concurreerde het met Vaals en Schin op Geul, nu dankzij goedkope vliegtuigtickets met Turkije.

De keuze uit terassen is er aan de voet van de Cauberg niet minder om. En de keuze op het terras is ook groot. Het mooie zomerweer verleidt me tot een witbiertje, een regionale Korenwolf. Mijn ene wandelmakker laat zijn keuze vallen op een Belgisch biertje (daarmee aangevend ook verstand van bier te hebben), en de ander is door de wandeling geinspireerd tot een wit wijntje uit de streek. Ik reken E 9,50 af en zie hier hoe de economie werkt.
Die E 9,50 is allereerst natuurlijk een vergoeding voor de kosten van de serveerster en de rest van het cafe, de bierbrouwerij, de akkerbouwer die de gerst teelde, de kunstmestfabrikant, een paar transportbedrijven, de accountants, bankiers en verzekeraars van al deze bedrijven en nog heel wat andere partijen die er voor gezorgd hebben dat ik hier en nu onbezorgd van mijn biertje kan genieten. Ik hoop dat iedereen eerlijk zijn deel krijgt, hoewel je daar voor de akkerbouwer wel vragen bij kunt hebben. O ja, en dan is er natuurlijk ook nog een deel voor de belastingsinspecteur om onze scholen en soldaten te betalen.

Maar economen zien hier nog wat anders gebeuren. Die zien die E 2.50 voor dat witbiertje als een signaal. Een signaal dat de cafe-eigenaar en vooral de brouwerij informeert dat er iemand bereid is in Valkenburg E 2.50 voor een witbiertje te betalen. Incentives matter: het is een prikkel om voor die prijs witbier te maken en naar Valkenburg te sturen. En als de bierbrouwer daardoor brouwgerst inkoopt voor twintig cent per kg, dan is dat voor de akkerbouwer een signaal brouwgerst te telen. Natuurlijk wachten die producenten daar niet mee tot ik bestel. Gelukkig maar want het duurt een poosje voor de gerst rijp is, het bier gebrouwen en naar het terras getransporteerd is. De ondernemers nemen het risico dat er vraag is naar hun produkt.
Je hebt gelijk dat dat ene witbiertje van mij niet echt veel uit maakt. Maar als we met zijn allen dit jaar in Valkenburg, of in heel Limburg de helft minder witbier kopen en vier keer zoveel Limburgse wijn, reken dan maar dat er volgend jaar minder gerst wordt geteeld en er zeker nieuwe wijnstokken worden gezet. Akkerbouwers zullen hun teeltplan aanpassen.

Het wonder van het economisch systeem is nu dat het systeem eenvoudig werkt doordat ik mijn eigen wensen ('een witbiertje graag') volg en ook de akkerbouwer doet wat hem het best is: hij verandert zijn teeltplan van gerst naar druiven als hij denkt dat hem dat meer opbrengt. En hetzelfde geldt voor de cafehouder: zodra er weinig meer verdiend wordt aan Belgisch bier, gaat het uit het assortiment. Kortom, iedereen is het beste af, en daarmee de hele wereld, als iedereen doet wat voor hem het beste is.
Dat was nu precies het inzicht van Adam Smith die in 1776 een nog altijd leesbaar boek ('The Wealth of Nations', de volledige titel was wat langer) publiceerde dat als de basis van de economische wetenschap wordt beschouwd. Smith was eigenlijk filosoof, geinteresseerd in moraal en ethiek. Hij vroeg zich af of de welvaart van de wereld of van een land wel maximaal is als ieder individu zijn eigen belangen najaagt en niemand bewust rekening houdt met de wensen van een ander. Dat is het geval. Wie zijn eigen belangen behartigt, doet dat niet om het algemeen belang te bevorderen, en weet in de regel ook niet in hoeverre hij daar aan bijdraagt. Hij wordt als het ware door een onzichtbare hand (invisible hand) geleid om zonder dat hij dat van plan was, ook de welvaart in het algemeen te bevorderen. Een inzicht dat je ook wiskundig kunt onderbouwen.

Wat heerlijk toch dat er op een mooie zomerse dag een witbiertje voor me klaar staat, zonder dat ik dat een jaar van te voren heb moeten bestellen of er een grote computer draaiende gehouden moet worden die plant dat er op 4 juli witbier voor Krijn in Valkenburg moet zijn. Niet dat het niet geprobeerd is om het via centrale planning te regelen. In oorlogseconomieen moet dat deels (omdat we dan niet willen dat grond aan de teelt van gerst voor bier wordt besteed in plaats van aan de teelt van tarwe voor brood of koolzaad voor olie). En vooral het communisme heeft grootschalig met centrale planning gewerkt. Het werkte niet en bleek in 1989 bij de val van de muur een faliekante mislukking te zijn. Inmiddels kun je in Moskou weer een witbiertje bestellen, maar probeer het niet in Cuba of Noord-Korea.
De centrale planning mislukte omdat echte economie veel te ingewikkeld is voor planning. Mensen willen keuzes en willen nieuwe produkten als die hun welvaart verhogen. Die keuzes zijn zo onvoorspelbaar, dat krijg je niet gepland - zelfs met de wet van de grote getallen, die er op neer komt dat het ook zou werken als ik een limburgs wijntje bestel, en mijn wandelmakker een witbiertje. Het enige dat centrale planning meestal oplevert is machtsmisbruik door de planners.
Het grote voordeel van ons economisch systeem is dat niet een centrale organisatie maar iedereen op zoek is naar verbeteringen die voor hem of haar werken of geld op leveren. Er is een concurrentie van vernieuwingen. Het moderne internet is een mooie analogie. Iedereen kan er mee aan de slag en het levert interessante weblogs, foto/video-sites en zelfs gratis software op.Via de e-mail wijzen we elkaar op nieuwtjes en door het te gebruiken of te kopen maken we samen wel uit wat we goed vinden. Als je YouTube, Flickr, GeenStijl.nl, weblogs en Halo3 allemaal centraal had moeten plannen en uitvoeren, was het er nooit gekomen. Je had niet geweten wat populair zou worden. Natuurlijk levert het ook uitwassen op zoals spam en sites met kinderporno. En zonder het Amerikaanse leger en de sexindustrie was het internet er zelfs nooit gekomen. Maar per saldo lijkt het me een zeer positieve ontwikkeling.

Ons economisch systeem is gebasserd op een zelfde vrijheid en individualisme (wat wat anders is dan egoisme) die sinds de Renaissance in onze samenleving diep zijn ingeslepen in ons democratisch en economisch systeem. Natuurlijk levert ook dat soms uitwassen op zoals monopolies, overbetaalde managers en locale armoede, maar het is een illusie te denken dat het met centrale planning beter kan.
En als het voor een groot deel toch zou lukken de goede goederen op het goede tijdstip op de goede plaats te krijgen, dan zal het nog niet tot veel levensvreugde leiden. Als de serveerster op het terras in Valkenburg toch minder goed bedient dan haar collega vijftig meter verderop, kan ik alleen mezelf verwijten deze keuze te hebben gemaakt. Er is een vrijwillige relatie tussen mij en de cafeuitbater. Maar bij een noodzakelijke relatie, als een ander voor mij bepaalt dat ik daar moet zijn, geef ik veel sneller de schuld aan de andere partij - reden waarom de NS of de oude PTT veel meer klachten krijgen dan de KLM of Libertel. Zelfs als de planeconomie zonder achttien jaar wachttijd een Trabant had opgeleverd die even goed was geweest als de Opel Kadett, dan nog zouden veel mensen klagen dat ze liever een VW hadden willen hebben. Terwijl kopers van een Opel Kadett (of een VW) veel minder klagen, ze ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun keuze en ze kunnen inruilen als het niet meer bevalt.

We bestellen een tweede biertje. Het smaakt nog beter dan het eerste, nu de eerste dorst van de wandeling is gelest. Dat is een economisch curiosum: meestal neemt het nut van nog een extra hoeveelheid af. Die economische wet werd voor het eerst geformuleerd door de Oostenrijker Gossen (dus uitgesproken als "Kossen"). Dat die wet klopt kun je nagaan door er nog tien achterover te slaan. Het nut neemt dan wel af en dan krijg je de wet van Kotsen, zo grapte ooit mijn eerste economieleraar, mijnheer Kock, op de middelbare school in Harderwijk. Heeft in ieder geval geholpen om het te onthouden en een vak te leren.

Er zijn nog meer van die "wetten" die het gedrag van ons consumenten beschrijven. Zo geldt in de regel dat we bij een lagere prijs meer van iets kopen: bij E 2.50 neem ik ook nog een derde biertje, maar als ze vijf euro zou zijn, dan liet ik dat wel uit mijn hoofd. En op elke regel zijn uitzonderingen. Als je diamanten of champagne wil verkopen, moet je het niet te goedkoop maken: de prijs is hier blijkbaar een signaal voor een of andere kwaliteit, exclusiviteit. Dit noemen economen luxe goederen.
Verder geldt dat mensen liever een hoog inkomen hebben dan een laag. Dat soort regels, ontleend aan de werkelijkheid, beschrijft hoe mensen omgaan met schaarse goederen. Mijn tijd is schaars en ik verdien dus liever 1000 euro in de week met 36 uur werk dan met 40. Mijn geld is schaars en ik besteed dus liever E 2,00 aan een biertje dan E 2,50. Is een biertje E 2,50 en een wijntje E 2,00 dan neem ik liever een biertje, maar als de prijs van een wijntje maar E 1,00 is, dan toch liever een wijntje.

Economie is de wetenschap van het maken van keuzes. Allereerst van hoe mensen eigenlijk keuzes maken, pas daarna ook van hoe je zo goed mogelijk keuze kunt maken. Geleerder gezegd: de wetenschap die studie maakt van het menselijk gedrag als een relatie tussen doelen en schaarse, alternatief aanwendbare, middelen  Hoe consumenten dat doen is op zo'n terras snel uitgelegd. Het wordt tijd om te bekijken hoe boeren dat doen. We laten het terras achter ons en lopen opnieuw het platteland op.

zondag 19 januari 2014

3. Maastricht - Valkenburg

Als we Maastricht via de nieuwbouw achter ons laten, zijn er al snel in het landschap allerlei agrarische activiteiten te zien: granen, grasland, koeien en kalfjes, appelen en aardappelen. Er groeit van alles op het plateau van Margraten met zijn vruchbare lossgrond.

Net zoals er verschillende consumenten zijn, zijn er verschillende agrariers: akkerbouwers, veehouders, tuinders. Je kunt ze op allerlei wijzen indelen en dat gebeurt dan ook. Europese economen onderscheiden vaak vijf typen: akkerbouwers die grootschalig gewassen telen met een lage geldopbrengst per ha, tuinders die intensief groenten telen. In Nederland ook bloemen en bollen en vaak onder glas - relatief grote ondernemingen met veel kapitaal. Ook fruitteelt en andere blijvende teelten, zoals de wijnbouw die we ook in het Limburgse landschap zien opduiken, kenmerken zich door langjarige investeringen. Een akkerbouwer kan volgend jaar aardappelen telen in plaats van granen; elk nieuw jaar kan het teeltplan anders. De Limburge perenteler zit voor jaren vast aan zijn beslissing een boomgaard te beginnen. Tenzij de overheid zo goed is om premies beschikbaar te stellen om bomen te rooien, zoals hier in de jaren zestig en zeventig gebeurde. Met als gevolg dat de hoogstambomen vervangen werden door de productievere laagstambomen (spillen in het fruittelers jargon).
Als vierde groep zijn er de graasdierbedrijven met melkvee en schapen. Niet omdat die dieren altijd buiten lopen - in Europa zijn er hele streken (zoals Italie) waar koeien altijd binnen staan.  Maar omdat kippen en varkens granen eten, geen gras. De intensieve veehouderij is een relatief jonge bedrijfstak, ontstaan na de Tweede Wereldoorlog, waar afvalprodukten en granen aan varkens en kippen worden gevoerd. Varkens hadden altijd al de rol van afvalverwerker, maar het grootschalig houden van 'hokdieren' is een ontwikkeling van na de oorlog.

En naast deze vijf typen zijn er dan natuurlijk de gemengde bedrijven - die hebben meerdere activiteiten en zijn niet zo makkelijk in een van de hokjes in te delen. Ze appeleren wel aan het klassieke beeld van de boerderij op de wandplaten op school waar alle dieren en planten op een boerderij te zien zijn. Maar het is een uitstervend verschijnsel. Mensen en daarmee ook bedrijven specialiseren zich in waar ze goed in zijn. De een in talen, de ander in wiskunde. De een in de verkoop van kleding, de ander in kruidenierswaren. En boeren houden zich bezig met uien of uiers, zelden met beide.
Dat specialisatiebeginsel is een van de krachtigste economische principes. Soms staan er weer romantici op die terug willen naar het oude gemengde bedrijf van de wandplaat, of ontwerpen nieuwe, maar het werkt maar zelden. Natuurlijk zijn er mensen en ondernemers die alles kunnen: wat ze ook aanpakken, het wordt een succes. Die kunnen zich maar het best specialiseren in het ondernemen zelf en geslaagde bedrijven naar de beurs brengen. Soms is het een bepaalde vaardigheid die mensen uitbuiten in verschillende takken: melkveehouders die veel van fokkerij weten en ook fokzeugen houden. Vaak zijn dat ook situaties waar een van de activiteiten niet makkelijk meer kan groeien, omdat er bijvoorbeeld geen grond te koop is. Of de akkerbouw biedt in de winter te weinig werk en wordt met een relatief eenvoudige tak vleesvee gecombineerd.

Soms zijn er verschillende activiteiten in een bedrijf omdat vader en zoon of man en vrouw verschillende vaardigheden hebben of niet teveel op elkaars lip willen zitten: de een doet de koeien, de ander de akkerbouw. Of mensen ontwikkelen zich: ze beginnen in melkvee, maar zien kansen in een camping. Of worden dominee of begrafenisondernemer, beroepen die je makkelijker doet met wat levenservaring. En soms is zo'n tweede tak een goede keuze bij gebrek aan wat beters, maar is het geen ondernemingsopzet die ook een volgende generatie mogelijkheden biedt. Of juist zoveel mogelijkheden dat de boerderij zich ontwikkelt tot winkel of camping. Specialisatie dus.
Specialisatie vind je vooral als markten goed werken. Toen Spanje en Portugal bij de EU kwamen zag je er een dramatische afname van het aantal gemengde bedrijven - alleen door specialisatie kon men de concurrentie aan. Hetzelfde gebeurde in Oost-Duitsland na de Wende. De grote LPGs uit de DDR met akkerbouw en vee specialiseerden zich in akkerbouw- of melkvee- of varkensbedrijven. Die hebben elkaar wel nodig: de mest van het vee houdt de graanvelden vruchtbaar. Specialisatie staat dat niet in de weg, want je kunt mest en veevoer met elkaar ruilen of aan elkaar verkopen. Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan.

Alleen als er geen handel is, zijn de risico's van specialisatie te groot. Zelfs als Robinson Crusoe op zijn verder onbewoonde eiland alleen aardappelen zou willen telen, is het toch slim ook tarwe te zaaien. Mislukt de aardappeloogst, dan kun je nog brood bakken. Maar als er handel is, dan speelt risico nauwelijks meer een rol en dwingt de markt tot specialisatie. Mocht dan de oogst mislukken, dan kun je elders kopen wat je tekort komt, met het geld dat eerder door specialisatie is verdiend.
Specialiseren is leren iets steeds beter te doen. Het is de enige bron van waardecreatie die we in de wereld kennen (afgezien wellicht van nieuwe fundamentele kennis in de wetenschap, maar daar zit in de toepassing ook vaak specialisatie bij). Het zit diep verankerd in onze psyche en cultuur. Al lang voor er geld en markten waren, 'ruilden' mensen gunsten: ik help fruit verzamelen, dan hoop ik dat jij volgende week helpt met het schoonmaken van het gevangen hert. Jij kookt, ik jaag. Specialisatie en ruilen leiden zo tot welvaart. Robinson Crusoe kon dat op zijn eiland niet. Hij was dan wel eigenaar van een eiland, maar niet erg rijk.

Inmiddels passeren we de Bemelerberg. De krijtwand aan de voet van de berg en de hoogteverschillen aan de linkerkant van de weg zijn indrukwekkend. We gaan door een bosje, over een weiland langs een volgend bosje en scherp naar links voor een perceel gerst. Het Pieterpad voert ons door Terblijt, langs diverse agrarische bedrijven. We zien dat de indeling in groepen bedrijven niet zaligmakend is. Bedrijven zijn niet alleen van een bepaald type, ze verschillen ook in grootte. Grote en kleine bedrijven wisselen elkaar af - hoewel dat voor ons wandelaars lastig te zien is. We zien grote en kleine boerderijen en grote of kleine tractoren. Meestal zitten daar ook grote of kleine ondernemingen achter, soms ook niet.
Langs het Pieterpad zien we ook allerlei nieuwe plattelands activiteiten: hier in Terblijt een boerencamping met allerlei recreatie, verderop ongetwijfeld ook natuurbeheer, zorgboerderijen, boerenwinkels, biologische boerderijen. Het zijn activiteiten die vooral de laatste tien jaar erg in de belangstelling staan. Deels omdat de rijkere consument in Maastricht (en elders) er om vraagt. Ook als reactie op de industrialisatie van de landbouw in de afgelopen eeuw en de uitwassen daarvan: milieuvervuiling, veeziektes, onveilige produkten, standaardisatie in massaproducten. En deels omdat boeren op zoek zijn naar nieuwe activiteiten. Het zijn mensen die zich onder de druk van de markt moeten specialiseren en vergroten, maar daar weinig mogelijkheden voor hebben en het over een andere boeg proberen te gooien. Waarbij de de meningen over de uitwassen van het huidige systeem van industralisatie van de landbouw delen. Verder spelen aandacht en geld van de EU voor plattelandsontwikkeling een rol in het promoten van dergelijke nieuwe activiteiten.

Zo komen er vernieuwende zaken tot stand. In Zuid-Limburg zijn er nieuwe concepten bedacht als "Helende hellingen" waarin landbouw, voeding en gezondheid bij elkaar worden gebracht. De zorglandbouw is ook op de oude sanatorium-gedachte van zo'n 100 jaar geleden gebaseerd. Mensen die uitkijken op een groene omgeving zijn eerder genezen dan zij die dat niet doen. Een groene omgeving met het ritme van de natuur doet de mens goed. De ex- verslaafde (om een voorbeeld te noemen) leert er weer elke dag op tijd te zijn want de slaplantjes en de kalfjes hebben zijn zorg nodig en hij kan trots zijn op het geleverde werk. Hoewel uit onderzoek blijkt dat het alleen werkt als producten ook echt verkocht worden en het werk via de markt een verbinding heeft met de rest van de maatschappij, is de landbouwproductie op dit soort bedrijven niet van grote betekenis. Net zoals sommige boerencampings of boerenwinkels op een zeker moment weinig meer met de primaire landbouw te maken hebben. Deze ondernemingen zijn in de dienstverlening beland en opgeschoven van de primaire naar de tertaire sector.

Ondanks alle ruime aandacht voor deze trends, stelt het voor het inkomen van de boeren weinig voor. Individuele boeren kunnen er een leuke boterham aan verdienen maar in totaal is de bijdrage maar een paar procent. En dan telt iets als loonwerk, waar boeren met machines werk bij anderen doen, ook nog mee. Maar dat verschijnsel is al zo oud als er machines zijn. Een beetje een mediahype dus, vergelijkbaar met de opkomst van tatooshops, videotheken of coffeeshops (zowel de wiet- als de Starbucksvariant) in de dorpsstraat. Interessant, maar geen revolutie in de retail.

Door een beboste helling, langs een steengroeve en zandafgraving dalen we het plateau van Margraten af, richting de Geul bij Strabeek. De elf kilometer over de hellingen tussen Maastricht en Valkenburg leert dus dat er veel verschillende boeren en agrarische bedrijven zijn. Maar onbeantwoord blijft de vraag hoe het komt dat die boeren hun werk zo doen dat ze de consumenten in Maastricht optimaal bedienen. Met de goede hoeveelheid brouwgerst, melk en wijn, met de gewenste soorten appelen, met genoeg natuur en de juiste camping- en zorgplaatsen. Anders gezegd: hoe kan de consument die productie veranderen in de door haar gewenste richting. Het antwoord daarop is verrassend simpel te vinden onder een biertje in Valkenburg.

zaterdag 4 januari 2014

2. Maastricht

De sleutel voor het platteland ligt in de stad. De geschiedenis van de mens is ooit gestart op de savannes van het huidige Oost-Afrika. Of voor bijbelvaste lezers in een tuin met de naam Eden in Mesopotanie (het huidige Irak). Het duurde zo'n 120.000 jaar, tot de laatste ijstijd, voor er dorpen werden gebouwd. Dat is nog maar 11.000 jaar geleden. En dat kon alleen omdat de landbouw was uitgevonden. Dorpen werden steden, en nu woont meer dan de helft van de mensen in de stad. In Europa is het al meer dan 70%. De stad bepaalt inmiddels de vooruitgang van de wereld, niet meer het platteland. En zo bepaalt de stad ook wat er op het platteland gebeurt.

Tijd voor een kijkje in de stad dus, en onze wandeling loopt dan ook Maastricht in. Hier wonen en komen kopers, die een forse geldstroom in gang zetten en waardoor het platteland verandert. Neem het jaarlijkse Preuvenemint, waar je je te goed kunt doen aan een keur van producten. Uitstekend klaargemaakte schotels, regionale producten als de Rommedou, vers fruit, wijnen uit de streek. Je ontmoet er kookgekken en foodies die hun eigen blad over eten uitgeven, boeren die speciale varkens in een klooster mesten, levensgenieters die alles van bier weten. Mensen die uren kunnen discussiëren over de beste chocola en chocolatiers. Hier is eten een ervaring, een belevenis, waarmee je jezelf wilt associeren. Elk jaar augustus opnieuw.

Sommigen kunnen zich hun bestaan niet voorstellen zonder deze aandacht voor eten en drinken – die definieren zichzelf als eet- of kookgek, ook al zullen ze zo’n woord niet gebruiken. Voor hen is de aandacht voor eten en drinken een vorm van zelfontplooiing. En met wat kennis van wijn (of kaas, of bier) kun je thuis of op het werk de deskundige uithangen: een beetje waardering, erkenning en status is nooit weg voor ons zelfrespect.

Eten beleven hoeft niet alleen op ’t Preuvenemint. Eenzelfde ervaring kun je opdoen als je een avondje gezellig uit eten gaat in het trendy Vlaamse Witloof dat we net zijn gepasseerd. Of in het nabij gelegen Chateau Neercanne. Neem wel je credit card mee, maar dan is lekker eten en sociaal contact gegarandeerd.

Je hoeft er ook niet voor naar Maastricht. Ook in veel andere steden kun je van tijd tot tijd terecht voor eetfestijnen, zijn er boerenmarkten en goede restaurants en is er Slow Food. Dat is een beweging die eind jaren tachtig in Italie ontstond omdat men bang was dat de traditionele gerechten en gewassen verdwenen onder de fast food. Wat schaars wordt en gewenst is kan op redding rekenen, want dan gaan mensen zich organiseren. Zo zijn een eeuw geleden de nationale parken ontstaan, en zo is er nu Slow food. Een beweging die veel sympathie heeft voor biologische en regionale producten. Waarbij regionaal een relatief begrip is. Bij een bijeenkomst met Slow food in Rotterdam kwam ik een visser uit de Waddenzee en een Turkse baklava bakker van de Bergweg tegen. Maar ja, Rotterdam is een wereldhaven dus dan moet je de regio niet te eng en nostalgisch opvatten. De Amerikanen hanteren een begrenzing van 600 km als het om regionale producten gaat. Het is maar hoe je het bekijkt.

Van het Onze Lieve Vrouwenplein met zijn basiliek en cafe’s lopen we via de Graanmarkt de Stokstraat in. Nu een luxe winkelstraat, een eeuw geleden woonden hier veel meer mensen, opeengepakt in diepe armoede. Er werd honger geleden, eten was hier een eerste levensbehoefte, de rest werd er voor opzij gezet. 

De Stokstraat van toen en het Preuvenemint van nu lijken elkaars tegengestelde maar liggen in werkelijkheid in elkaars verlengde - het zijn de basis en de top van de pyramide van Maslow. Abraham Maslow was een Amerikaanse psycholoog die de behoeften van rijke mensen bestudeerde en daar een orde in aanbracht. Als de lagen van spekkoek. Onderop de eerste levensbehoefte, de thee en een bruine boterham kaas bij het ontbijt. Daarboven de behoefte aan veiligheid en zekerheid –nog altijd een belangrijk motief bij de aankoop van babyvoeding, in het bijzonder in China, en volgens sommigen speelt het ook bij ouderen met hun behoefte aan vitaminepreparaten.
Als de eerste twee lagen van Maslow redelijk zijn gevuld, is er de behoefte aan sociaal contact, al of niet via een gezamenlijke maaltijd, gevolgd door een behoefte aan waardering en erkenning. En aan de top van de pyramide staat de zelfverwerkelijking: we willen leren, ons zelf ontwikkelen en herdefinieren zodat ons leven betekenis krijgt en minder zinloos lijkt. Wat we in de top van de pyramide doen, zijn bijzondere ervaringen, daar hebben we wat voor over en dat blijft ons bij. Dat is eten op ’t Preuvenemint, dineren bij Witloof of Neercanne.

Als het over eten gaat, is het nog niet zo gek dat Maslows ordening de vorm van een pyramide heeft, en niet die van een spekkoek. Want eten uit lichamelijke behoefte doet iedereen, maar het aandeel van de mensen die ook op het niveau van zelfontplooiing met eten bezig is, is veel kleiner. Je ziet meer mensen bij het voetballen of video’s op YouTube bekijken, dan dat er op een wijncursus zitten.

De mensen die nu in de Stokstraat winkelen en lunchen, baden in weelde. Deze mensen hoeven niet meer dicht op elkaar te wonen, in tegendeel, ze gebruiken steeds meer ruimte. Er worden –op wat eens het platteland was- nieuwbouwwijken voor gebouwd. Ook wat de ruimte voor het Nederlandse platteland betreft, ligt de sleutel in de stad.

Niet alleen de grote, dicht opeengepakt wonende gezinnen zijn verdwenen, het traditionele man-vrouw- kinderen gezin is überhaupt in de minderheid geraakt. De individualisering slaat toe, er wonen nu meer mensen op zichzelf (van studenten tot bejaarden), in 1-ouder gezinnen of in gezamenlijke woonvormen zoals verzorgingstehuizen, dan in de traditionele man-vrouw- kinderen huishoudingen.

De andere woonvormen en de welvaart brengen ook een gemakstijl met zich mee, waarin mensen niet meer drie keer per dag netjes aan tafel eten, en tussendoor een kopje thee drinken. We gaan grazen, we duiken de koelkast of het benzinestation in als we zin in iets hebben; er zijn genoeg aanleidingen, positief of negatief, om onszelf met iets te eten te belonen.

Aan het eind van de Stokstraat lopen we door de Koestraat (aan plattelandsnamen geen gebrek) en steken we de Maas over, richting het station. We kijken op Ceramique, een heel nieuw woon- en winkelgebied op de oude industrieterreinen van de proceleinindustrie. Ooit maakte men daar de beroemde Boerenbont-serviezen, in meer varianten dan de nummer 15 van Regout waaraan je nu denkt.
Aan de rechterhand passeren we een luxe keukenzaak, het type winkel waar menig kookgek dol op is. Je kunt hier voor een kapitaal je keuken inrichten met stoomovens, wokbranders en een interessante paradox in huis halen: hoe rijker we zijn, hoe luxer en duurder onze keukens, maar hoe minder tijd we in de keuken doorbrengen. Tijd is geld. In vijftig jaar tijd is de gemiddelde bereidingstijd van een warme maaltijd sterk teruggelopen. De magnetron en wokpan zijn er voor uitgevonden.
In het weekend willen we nog wel eens de kok uithangen voor vrienden en familie, als we druk zijn moet het snel. De moderne consument koopt dus niet alleen voedsel, ze (en nog altijd zelden: hij) wil er ook diensten bij (en als het een hem is, hij zeker). Groente moet voorgesneden zijn, soms nemen we een kant- en kaarmaaltijd die zo in de oven kan. En je kunt natuurlijk ook naar McDonalds of de kantine op het werk. Daar koop je vooral diensten met eten: maar een heel klein deel van je geld dat je daar besteed is voor het eten zelf, de rest betaal je voor het werk om het klaar te maken en te serveren.

Dat is trouwens niet typisch een verschijnsel van onze hoge welvaart. Jaren geleden reisde ik door Vietnam en ook daar zie je vrouwen op straat soep warm maken en verkopen aan gewone werkmensen. Navraag leerde dat de kopers vaak zo arm zijn dat ze thuis geen goede kookgelegenheid hebben, voor een laag loon veel uren werken en het dan aantrekkelijk is om het warm eten met de kookdiensten erbij te kopen. En het soepvrouwtje verdient zo weinig (en er is geen btw of belasting op arbeid) dat dat betaalbaar is.

Toch zie je de piramide van Maslow ook terug als je kijkt naar de voedingsconsumptie in verschillende landen. Landen maken vier fasen door als ze rijker worden. Het begint met overleven ('basic survival') waarin het draait om (goedkoop) voedsel, kleren en onderdak. Als er een middenklasse ontstaat gaat kwaliteit een grotere rol spelen: de 'quality fase', zoals nu in India en China. De Europese landbouw-commisaris Mariann Fischer-Boel wees boeren er graag op dat er alleen al in India jaarlijkst 35 miljoen van die consumenten in de kwaliteitsfase bijkomen - en vond dat een goede reden het landbouwbeleid aan te passen.

Neemt de rijkdom nog wat toe dan komt gemak ('convenience') in beeld. Dat is de fase waarin Oost- Europa en Latijns-Amerika zich bevinden. En in de volgende fase zijn mensen bereid een premie te betalen om aan individuele smaken en verlangens tegemoet de komen ('customization').
Zo zie je een graan golf: in de overgang van de overlevings- naar de kwaliteitsfase stijgt de consumptie van graan in kg per hoofd van de bevolking, daarna zet zich een daling in - als je het uittekent (met inkomen op de horizontale as) is het net een golf.
De fases hangen overigens niet zozeer van het gemiddeld inkomen af, maar ook van tal van andere zaken. Een mooi voorbeeld is de snoepjesmarkt. In arme landen zijn het op suiker gebaseerde snoepjes (zoals zuurtjes). In de quality fase worden die vaak vervangen door chocola. Maar er zijn uitzonderingen, zoals in het land waar de chocola vandaan komt: Mexico. Daar hadden ze al lang aan de M&M's en de Marsen moeten zijn, maar men is nog dol op suikersnoepjes. Komt omdat ze er van limoen en pepersmaken houden, en er zijn veel locale suikerproducenten, die mede door de handelspolitiek suiker aanbieden op 55% van de chocoladeprijs; in andere landen is dat 90%. En verder loopt de distributiestructuur in Mexico achter met koeling, en dat is voor chocola in een warm land onhandig.
Maar afgezien van dat soort uitzonderingen gaat het overal hetzelfde: het begint met een benzinestation waar ze je tank volgooien met benzine, daarna gaan ze er etenswaren bij verkopen, dat groeit uit tot een winkel en dan mag je er zelf ook nog bij tanken als je dat wilt.

Langzaam verlaten we de stad om een kijkje op het platteland te nemen. We passeren het station van Wyck, dat Maastricht heet. We moeten door een paar kilometer woonwijken. Hier wonen ze, al die verschillende huishoudens en gezinnen met verschillende leefstijlen. Mensen die eten vooral zien als eerste levensbehoefte en de kookgekken. Jongeren en ouderen, autochtonen en allochtonen: Nederland vergrijst en verkleurd. We moeten vooral niet denken dat al die mensen hetzelfde zijn en willen. Marketingmensen en sociologen doen dat ook niet, boeren willen nog wel eens denken dat iedereen dezelfde melk in dezelfde verpakking in hetzelfde type winkel wil kopen en dat hun cooperatie niet al te veel moet investeren in productvernieuwing en marktsegementatie. Dat is een duur misverstand.

Marketing-bureaus als het Amsterdamse Motivaction delen de Nederlanders standaard in een stuk of acht groepen in met mooie namen als traditionele burgerij, nieuwe conservatieven, kosmopolieten, gemaksgeorienteerden, opwaarts mobielen en post- materialisten die je weer niet moet verwarren met postmoderne hedonisten. De indeling in groepen is grotendeels gebaseerd op twee criteria: de (economische) status van consumenten en de waarden en normen die uiteenlopen van traditioneel (behouden) via modern (bezitten, verwennen) naar post- modern (beleven, ontplooien).
Zo  heeft de traditionele burgerij een traditionele waarde- opvatting en een matige status - die moet je melk in een pak met rietgedakt boerderijtje bij de C1000 verkopen. De kosmopoliet met zijn hoge status en aandacht voor 'verwennen' is misschien meer in voor een volle karnemelk van Kampereiland aan de lunch op de Rotterdamse Kop van Zuid. En de postmoderne hedonist wil zich wellicht ontplooien met lekkere biologische melk gekocht in dat speciale zuivelwinkeltje. Als je probeert al die mensen met hun verschilende wensen te bedienen met dat ene gemiddelde pak melk bij Super de Boer, dan komen veel mensen niet aan hun trekken en laat je als boeren kansen en geld liggen. Productdifferentiatie is slimmer.

We staan aan de rand van de stad, voor ons ligt een modderige veldweg. Achter ons ligt de stad met al die verschillende consumenten, die met hun aankopen een keten van producenten aan het werk zetten, en daarmee ook de boeren op het platteland. Tijd om te kijken wat er daardoor op het platteland verandert.

woensdag 1 januari 2014

1. Sint Pietersberg - Maastricht

De wegwijzer op de Sint-Pietersberg staat op 85 meter krijtlagen, lang geleden gedurende miljoenen jaren gevormd door schelpen en schaaldieren in een tropische zee. We wandelen door een natuurgebied de berg af, het platteland lonkt. Het kalksteen van de berg zorgde ooit voor een bijzondere natuur met kalkgraslanden en grasheiden. De winning van kalksteen (mergel), eerst door de Romeinen als bouwmateriaal, nu voor cement door de ENCI, staat op gespannen voet met het natuurbeheer. Net als de akkerbouw op de heuvel.

Maar herstel is gaande en de Eerste Nederlandse Cement Industrie (ENCI), die in Duitse handen is, zal hier vermoedelijk ook de laatste zijn. Men had al besloten over een aantal jaren te vertrekken, maar de opleving van de cementprijzen heeft ze doen twijfelen. Ter herinnering is er al een ENCI- bos; het gangenstelsel in de berg bevat een omvangrijke vleermuiskolonie.
Aan de rechterkant van het Pieterpad ligt de mergelgroeve. Ik vind het passend dat deze wandeling begint bij de Nederlandse mijnbouw, die samen met de landbouw en de visserij de 'primaire sector' van de economie vormt. De industrie is de secundaire, de dienstverlening de derde van het rijtje.
Naast een beetje zout in Boekelo, de olie in Schoonebeek en het in de jaren zestig ontdekte aardgas in Slochteren kennen we in Nederland geen mijnbouwtraditie. En dus ook geen zware industrie. Voorzover er al industrialisatie in Nederlands was, vond die in de Zuidelijke Nederlanden (nu: Belgie) en Limburg plaats. Het ontbreken van industrie is typerend voor een delta van grote rivieren. Bij een delta horen handel, transport en landbouw op vruchtbare grond. Vreemd genoeg wordt dit tot op het hoogste bestuursniveau regelmatig vergeten. Bij innovatie denken we liever aan gloeilampen, chips en vliegtuigen dan aan kaas, chips en tomaat.

We dalen verder af naar het platteland, na een kilometer komt het voormalige fort Sint- Pieter in zicht. In de jaren dertig gerestaureerd en voorzien van een nieuwe bestemming als restaurant. Daarachter doemt de stad op: Maastricht. Sinds enkele jaren woont wereldwijd meer dan de helft van de bevolking in de stad. Wie wil begrijpen wat er op het platteland gebeurt, moet dan ook eerst de stad in. Want daar wonen de burger en de consument. En die bepalen wat er in stad en ommelanden verandert.